Vrijwel ieder mens is in aanleg geluid-gevoelig en in staat om onderscheid te maken tussen muziek en geluid in het algemeen. Ook kan zo wat iedereen zingen. Klankvreugde is aan vrijwel niemand vreemd en muzikaal talent is eerder regel dan uitzondering en dat is geen wonder als je bedenkt dat het duiden van geluiden waaronder dat van mensen en andere dieren en dingen om ons heen in de honderden millennia waarin onze blauwdruk is gevormd van levensbelang was en in zekere zin nog altijd is. Stemgeluid spreekt ons het gemakkelijkst aan hoe fervent ook trompettisten, saxofonisten, pianisten, violisten en gitaristen trachten ons te beroeren en om te ‘krassen op onze ziel’. In praten maar ook in geschreven tekst ligt al een wereld aan ritme en toon besloten en dat draagt verregaand bij aan de vorming van betekenis. Toon en vooral toonwisseling onthullen mede de bedoeling van de spreker of de schrijver. Con-verserend reiken we naar elkaar en daarvoor leent zich de gehele breedte van ons sensoriale spectrum. We staan, gewild of niet, open voor signalen die onze intuïtie aansturen en de ‘sleutel’ van die ‘muziek’ wordt verregaand bepaald door het type gesprek dat wordt gevoerd. Sluipen we over de steppe, is er discussie, informatie-uitwisseling, onderhandeling, bureaucratisch contact, staan we bij de bushalte of zitten we in de spreekkamer of het café ? Allemaal situaties met een eigen taaldoel en taalstijl. Licht, geluid, geur, smaak, gezichtsuitdrukking, gebaren, lichaamshouding, decor en decorum, voorkennis dan wel veronderstelling over de ander, alles wordt ingezet om bedoelingen over te brengen. Ieder normaal mens is vertrouwd met dit ‘instrumentarium’ maar niet iedereen is zich hiervan in gelijke mate bewust. Er worden ons tot wel 10 zintuigen toegedicht; twee keer zoveel als het klassieke aantal. De mens als breedspectrum zender én ontvanger. Als verkenner speurend naar signalen, naar begrip en inzicht in de eigen veiligheid daarbij leunend op ervaring die ook wel naadloos en jammerlijk overgaat in vooringenomenheid. Onze waar-neming is verregaand zelf-behagend en tot diep in hedendaagse wetenschap ligt die zogenaamde bias onafgebroken op de loer. Maar al te graag haalt de mens zichzelf verschonend als witte raaf of als het konijn uit de hoed om zo de wereld als voor hem gemaakt te ervaren. Als de werkelijkheid niet ‘levert’ schijnt de mens wat meer met zijn projector bij. Hedendaagse spindoctors rond de politiek en economie, influencers van velerlei pluimage en de “Bigs” weten, groepsgewijs of als enkeling daarop in te breken en dat gebeurt ten goede zowel maar veel vaker ten kwade. Op jacht naar behagende waarheid is de mens gemakkelijk te bespelen. Reclame is een door mij verfoeid voorbeeld hiervan. Het maakt radio en tv onverteerbaar en ook de openbare ruimte en internet zijn prijsgegeven aan beïnvloeders en allerlei heimelijke kapers van de menselijke wil. De vrijgeboren mens ligt even ongemerkt als onmiskenbaar weer in ketenen.
De muziekindustrie drijft op het zorgvuldig geconserveerde sprookje dat muzikaal talent uitzonderlijk is om de eigen stal vervolgens schaars, begeerd en te gelde maken. De rechten op songs en beheersing van radio-, tv- en internetkanalen zijn een obsessie van degenen die daar de lakens uitdelen. In “het Neofeodaal” (menu) kakel ik daar in wat breder verband over. Anderzijds zijn veel mensen geneigd tot idolatrie en verbazen zij zich gezeten voor de tv over de gaven van onbekenden die naar voren komen tijdens talentenjachten. Die bewonderaars zouden daar evengoed zelf kunnen staan doordat het wel of niet muzikant/ kunstenaar zijn vóór al afhangt van zelfbeeld en attitude terwijl dat niet zelden het gevolg is van beperkingen op sociaal vlak. Succesvolle artiesten verwerven hun roem doorgaans door ijver, persisterenen, ambitie en wat geluk en beslist niet door talent alleen. Transpiratie meer nog dan inspiratie wordt daarbij genoemd en een snufje narcisme kan daarbij geen kwaad. Muzikaliteit, geluidgevoeligheid is voor het dagelijks leven én overleven van onverminderd belang en ieder normaal mens heeft daar gevoel voor; niks bijzonders eigenlijk.
Propaganda. Mensen praten graag en het lijkt mij vaak belangrijker dát we praten dan wát we praten ook al is onze aandacht primair bij het semantische aspect, de woordbetekenis. Het oproepen en ontladen van drift, woede, vreugde, angsten, levenslust hoe dan ook, alles in de eeuwige jacht op zinnigheid, verbinding en het vinden van gehoor is nogal wat breder dan het woordenboek. Muziek in deze ruime zin van het woord klinkt onophoudelijk om ons heen. Muziek samen met beelden zoals in film, musical, de socials of opera brengt nog gemakkelijker vervoering teweeg en dat wordt dan ook veel ingezet in propaganda die ongemerkt met mensen of zelfs de mensheid aan de haal gaat. Niet alleen wordt wat je ziet verregaand bepaald door hoe je kijkt, ook de duiding van geluiden hangt af van hoe geluisterd wordt. Het muzikale baart gemakkelijk pathos, zelfoverstijging en ontlading: een time-out van het soms moeizaam klunen van de ratio waar veel getob haar oorsprong vindt. Trompetgeschal, vlagvertoon, parades, stadiongedrag, een joelende massa en een geschikt vijandbeeld en daar gaan we weer…… Populisten en gouden cirkel-exploitanten hanteren identieke methoden. Het zou me wat waard zijn als mensen zich hiervan bewust worden zodat machtbeluste bespelers van dit “orgel” hun verborgen agenda niet moeiteloos en tot schade van allen, kunnen uitvoeren. Communicatie- en informatiekennis berust op simpele maar efficiënte inzichten in hetgeen mensen beweegt en vormt al millennia een gedegen ontwikkeld dashboard om massa’s te mennen.
Waan-zinnige zwevers. Evenals geur weet klank ons rechtstreeks te beroeren en daar komt nauwelijks ratio aan te pas. Niettemin beschouwt de mens zichzelf als een verstandelijk handelend wezen maar wie het ontstaan van onze denkbeelden nauwkeurig beschouwt, weet wel beter. We staan minder ver verwijderd van regendansen, astrologengewauwel, zasen en ‘primitief’ gedrag dan doorgaans wordt aangenomen. In ieder van ons ligt een sjamaan op de loer, keurig opgesteld achter onze talloze blinde vlekken. In ons zenuwstelsel, het schakelvlak tussen lichaam en geest, liggen kennelijk ‘glijbanen’ naar redeloos plezier en evenzo vrolijk naar behagende opvattingen over wat waar is, klaar. Niks ratio. Wie lacht kan zo maar vanzelf blij worden en die vreugde is niet eens vals. Zo ook onderscheidt geloof, onze grootste anker voor het dagelijks ‘weten’, zich in niets van bijgeloof wat Gottfried Leibniz daar ook tegenin meende te brengen. De Verlichting was een verdienstelijke ontwikkeling in zoverre dat wetenschappelijke discipline van de grond kwam, houvast en materiële vooruitgang bracht maar het heeft de mens niet opeens van een andere grondslag voorzien. In het aangezicht van de existentie zijn we nog altijd de onzekere oermens gevoelig voor Wodan en Donar-achtige waarheidsvinding. In het binnenste van de mens heerst pathos over logos en ons waar-nemen is daarvan de huichelende lakei. De ratio wordt vooral aangewend om onze ingevingen in een verstandelijk ‘verfje’ te zetten en dat is nooit anders geweest ook al leeft breed de aanname dat de mensheid almaar slimmer en beter wordt en vooruit gaat. De ‘ontwikkeling’ van onze soort verloopt veeleer cyclisch van Werdegang naar Werdegang dan dat we in een fijne stijgende lijn vooruitgang boeken met als stip op de horizon de intrede in paradijs, nirvana, of, naïever nog, het alweer achterhaalde, “einde van de geschiedenis”. Dat boek maakte iemand tot een ster en sloeg volstrekt nergens op. Het was wederom een broodschrijverstrucje. Bloeddorst en strijdlust zijn nooit ver weg geweest en te vrezen valt dat dat ook niet van ons zal wijken. De natiestaat als produkt van de ratio is vooralsnog het minst beroerde middel om dit te beteugelen met een verenigend Europa als goedbedoeld voorbeeld maar platte roedelzucht en een massieve lobbymacht knagen daar verbeten en jammerlijk succesrijk 24/7 aan.
Wetenschap als anker voor kennis blijft een beperkt gebied binnen ons besef doordat coherentie en consistentie in de menselijke beleving noodzaak noch vanzelfsprekend zijn waarna door tijdsverloop ons perspectief door impulsen van buitenaf en van binnenuit almaar ‘ververst’ wordt (“Memento momento….” : menu). In de overvolle schommelende bus van het bestaan is nauwelijks houvast voorhanden. Wiskunde bijvoorbeeld hoe zinnig ook bestaat niet verder dan in de menselijke perceptie. Het is een waarnemerstool. We verzinnen ordening in het beschouwen en leggen die over de werkelijkheid teneinde daar grip op te krijgen met veel goed gevolg binnen de wetenschap maar aan het eind van de dag valt ieder terug in de zo veel meer omvattende existentiële ‘kermis’ van het eerstepersoons waar-nemen en ratio speelt daar de tweede viool. Een echte rechte lijn is een denkbeeld en is nergens in het heelal te vinden; “recht is onnatuurlijk”, chargeer ik dan leuk. We menen verstandelijk te leven maar instincten en preoccupaties vanuit ons emotioneel palet voeren de regie. Deze ‘on-zinnigheid’ wordt als achterlijk, als te overwinnen weggezet maar evengoed is daar de ingang naar al wat ons raakt en ook ligt daar de opmaat om nietsontziend ‘in te breken’ en onze denkbeelden te (ver)vormen. Het maakt de mens bespeelbaar zoals de muzen ons onophoudelijk tonen. Velen worden zo gemakkelijk tot gedwee consument van suffe spulletjes (Neofeodaal: menu). Alsof we daartoe op aarde zijn. Samenleven sloeg inmiddels door naar economie, economisme en financialisme met een mensheid als aangelijnde werkbijen en ons muzische deel wordt weggezet als tweederangs belevenis hoewel verstand én gevoel beiden onverminderd in het luchtledige bungelen. Mens en mensheid hebben wellicht een fysiologische oorzaak maar ik zie geen houdbare reden voor de soort waardoor de vraag naar het grote bestaansgelijk tot op de dag van vandaag vrijwel ongezien braak ligt. Pfffff, nadat de mens eeuwenlang tot ootmoedig erfzondaar werd gepraat moet hij zichzelf nu welvarend consumeren en gamen, liefst door het maken van schulden want dat schept geld. Het voelde als een dieptepunt toen Neerlands minister-president opriep om nieuwe autos en grote dingen te kopen om onszelf uit dreigende armoede te consumeren. De wereld op z’n kop. Big Finance als opvolger van Big Religion. Ik zie die twee nog eens gaan samenvallen voor zover dat niet al bereikt is. Heikel wordt het waar wetenschap, kennistheorie en vooral psychologie wordt aangewend om ons via emoties te runnen. Beter en brutaler dan wijzelf gluren de Bigs achter onze Blinde Vlekken. Het valt niet mee om hier niet cynisch van te worden.
Kortom bezie ik het leeuwendeel van de gesprekken en contacten tussen mensen veeleer als zang, muziek, geluid met een instinctieve functie gedrenkt in pathetiek alom. Fervent op zoek naar zin, naar steun, naar verbinding en respect. Dat stemt ook meer overeen met onze ware geschiedenis die cyclisch en weinig zinnig verloopt met een mens die al millennia dezelfde sneue dolende blijft (“Aan mezelf ken ik de ander”: menu), alles evenzeer ‘irrationeel’ zoals we dat zelfverschonend aan de dierenwereld toeschrijven. De Verlichting heeft allerlei kwesties verhelderd maar de menselijke conditie blijft een troebele kwestie, staren in koffiedik, roepen in een echoput. Ons bestaan overstijgt op geen moment het niveau ‘speeltuin’ en hoe erg is dat ? In politiek commentaar wordt met dédain naar onderbuikgevoelens verwezen, maar ik meen dat precies daar de blauwdruk en nadruk van de mens ligt. Frans de Waal toonde aan dat alle zoogdieren waaronder de mens hetzelfde gevoelsleven hebben. Wie dat register over het hoofd ziet, mist een waarachtig inzicht in de mens én in hoe men als electoraat, consument én medemens bespeeld kan worden. Populisten en copywriters daarentegen hanteren deze ontvankelijkheid zonder gêne en maken wetenschap met haar ratio verdacht waar juist samenleven en consumeren een portie logica en discipline vraagt. Maar een decisief deel van de kiezers is dezer dagen juist in het stemhokje meer muzisch dan rationeel. Wetenschap heeft ons veel gebracht maar heeft in de existentie niet het laatste woord. Het spijt me voor Richard Dawkins maar dit inzicht leek zijn pet te boven te gaan. En voor wie tot op de bodem doordenkt is er zonder geloof, geen weten, is er zonder waan geen zinnigheid. Carlo Rovelli houdt ons dit gemotiveerd voor. De werkelijk is een afspraak, een code afhankelijk van ieders besluit maar staat los van de fenomenen.
In weer andere woorden: in het leven van alledag is ‘het woordenboek’ allerminst maatgevend en bereiken we eerder persoonlijke, momentane verbinding door het effect van klank, toon, ritme en mimiek naast overige lichaamstaal en bijkomend decorum. Het niveau van ‘elevator pitches’ is zo’n beetje de maat voor de taal van alledag. De inhoud van dagelijkse gesprekken is als easy riding, emotioneel en situationeel. Hoe dierlijk wil je het hebben ? Taalgebruik is dan eerder tribaal, muzikaal en gevoelsgestuurd. We sussen en sarren elkaar en mompelen wat heen en weer, gekscherend in stroomafwaarts bedoeld hummen. We zoeken stamgenoten en kruipen nog dichter bij elkaar door gedeelde afkeer of zelfs vijandbeelden. Praten elkaar gemakshalve naar de bek ! Voilá opnieuw het oevre van Shakespearre. Dit is allemaal geen verwijt. Ik blaas mijn partijtje opgewekt mee in die kakofonie. Ik kom de dag ook niet door zonder een flink portie ‘losheid’ aan mezelf verkocht als zelfspot. En ook al lijken de ondiepe betogen in kroegen, junkholes en volksbuurten slaapverwekkend en getuigen ze schijnbaar van een klein palet, ze worden aangestuurd door dezelfde driften, verlangens en noden als in welke maatschappelijk bovenlaag ook. Ook geopolitiek speelt zich af op het niveau kinderkamer. Uiteindelijk zijn we niets meer waard dan welke diersoort ook. Niks Kroon op de Schepping. Dat is een waan gelijk de kleren van de keizer.
Over muziek-instrumenten gesproken. Wij zijn zelf te beschouwen als een klankkast vol resonanties zoals snaren en trommelvellen die teweeg brengen. De mens is dan trilling-zender en -ontvanger tegelijk en is veel meer intuïtief, instinctief gevormd via wat ik ons blackbox-achtige ‘sensorium’ noem dan dat de ratio in de mens de lakens uitdeelt. Was de Verlichting dan toch niet de grote metamorfose van wild en primitief naar verstandig en beschaafd ? Is verstand met de daaraan toegedichte keuzevrijheid niet veeleer een mankement in de zin van gebrek aan instinct ? De vorming van een verklarend beeld van de mens komt van vele kanten. De bioneurologie en allerlei aanverwants is een betrekkelijke nieuwe loot aan de stam van disciplines. Onze finale ‘werking’ blijft moeilijk grijpbaar zoals ook toon en klankvorming in ruimtes en holtes door wisselend veel invloeden tot stand komen. De mens is nog lang geen open boek. De anatomie, onze bedrading wordt wellicht een keer bloot gelegd maar op de inhoud van de signalen en de vorming van ons fluctuerend besef is dan nog niet de vinger gelegd..
Zang in een onbekende taal bereikt en raakt mij net zo gemakkelijk als in de eigen taal. Het muzikale komt moeiteloos op eigen kracht binnen. Muziek die raakt, stelt geen vragen maar geeft antwoord alleen al door klankvreugde wat ten dele is verhelderd door Pythagoras maar onze reactie op klankspanning reikt nog wel wat verder dan het rigide model dat de wiskunde ons aanreikt. Wiskunde als een soort zinnig autisme, toont samenhang maar verklaart niets. Ook dissonanten weten de mens te strelen zo blijkt uit velerlei vooral niet-Westerse muziek. Niet alleen is wat je ziet afhankelijk van hoe je kijkt, iets dergelijks geldt ook voor geluid. Beiden komen tot ons als trillingen of wellicht quantumpakketjes. Ook met geschreven tekst komt een eigen tonale partituur mee. In stilte lezend zoomt het klankspel van de tekst door onze klankkast en worden we geraakt (of niet). Geluid als betekenisdrager heeft net als geur een directe inslag op onze beleving, los van de directe betekenis van woorden. Tijdens een gesprek luistert ons hele lijf, huid, middenrif mee naar klank en ritme van stemgeluiden die ons op meerdere niveaus aanspreken. Hypergevoelig zijn we voor de hints in geluidswendingen in toonhoogte, volume, ritme, alles samen met gezichtsuitdrukking etc. De stem is ons het meest vertrouwd en het meest veel-zeggend. Solerende instrumentalisten, gitaristen, violisten, pianisten, blaasmuzikanten kunnen op hun kop gaan staan en driftig persen en razen wat zij willen, maar snaren en andere trillers krijgen zelden het rakend vermogen van de stem. Blaasinstrumenten lijken de beste kaarten te hebben door de luchtstroom die ze met stemgeluid gemeen hebben maar Miles Davis, Chet Baker, Cris Hinze, Ian Anderson (Jethro Tull) konden blazen en rode hoofden krijgen wat ze wilden, stemgeluid sluipt geur-gelijk ons besef binnen. Het is het geluid dat onze soort altijd heeft omgeven. De stem was, is en blijft een prominente drager van het palet aan menselijke emoties
“Geraakt en bespeeld worden” vindt evengoed plaats als we ons daarvan niet of nauwelijks bewust zijn. Miskende emoties hebben niet minder hun effect, zijn niet zomaar weg te denken. Het lichaam lijkt een eigen kenniscentrum te hebben: het ‘wetend lichaam’ met geheugen en al; met vingers die zelfs rap lezen mogelijk maken; met een autonome aanleg en kunde van ons lijf en wat daar aan kennis wordt vergaard in de loop van een leven. Het zenuwcentrum heeft behalve geheugen een eigen leervermogen zoals sporters, dansers en muzikanten in hun handelen aantonen. In de neurobiologie en aanverwante disciplines groeit inzicht in de ruimte voor de eigen ‘software’ van het lijf. Oefenen en repeteren speelt zich niet slechts in ons brein af. De aanbeveling om ‘naar je lichaam te luisteren’ slaat in die zin de spijker op de kop. Dat lichaam heeft iets te zeggen.
Instant be-leven. Een samenkomst van mijn ideëen over onze geluidgevoeligheid en instantaan leven ervaar ik als mijn gitaar en ik elkaar bespelen. Wederkerig. Zó speel ik en zó leef ik ook het liefst heb ik inmiddels gemerkt. Zó ook bereid ik mijn eten vanuit actuele honger, zet ik koffie, bedrijf ik de liefde, verbouwde ik huizen, werk ik in mijn tuin, heb ik mijn reizen gemaakt. Gedurende de verbouwingen aan talloze woningen reciteerde ik vaak dat “het bestek ontstaat tijdens de uitvoering”. Ogenblikkelijk. Wij zijn op zo’n moment aanzet maar ook klankkast/ processor waarin de impulsen tot gelding en uitwerking komen. We roepen iets en ondergaan de echo daarvan in onszelf, gooien stenen in ‘het water’ en voelen iets in onszelf golven. Dáár zit ergens ‘het autonome’ van ons sensorium; van het stel sensaties dat samen één mens vormt. We worden zo ons eigen publiek hetgeen ook leuk aansluit bij mijn betoog dat de ‘kunst’ van muziek in het luisteren zit evenals dat het kijken, ook voor de maker, de kern van beeldende kunst vormt. Spiegelneuronen doen ons niet slechts gapen wanneer een ander gaapt, ze aktiveren evengoed iets als reactie op die autonome innerlijke gebeurtenissen. ‘Het ijzer smeden als het heet is’ verwijst hier eveneens naar. Ieder vormt een ‘bijenkast’ vol neurale activiteit en veel daarvan lijdt een ‘eigen leven’ en het is grappig en zinnig om daarmee te spelen: ‘een schizofreen is nooit alleen’ heet de oude grap terzake. Daarin passen ook mijn schreeuwpartijen in de loop van lange eenzame autoritten door Europa. Ik schreeuw mijn eigen binnenste aan en onderga daarvan tegelijk een effect. Instantaan, momentaan beleven. Met slechts jezelf als een ‘ander’, zoals je in je eentje kunt squashen met de bal aan een elastiek en ik mezelf blij wist te vissen door quasi-stiekem de dobber te bewegen en niettemin het begin van beet-vreugde ervaar; spelen met je blinde vlekken. Waar mezelf laten schrikken onmogelijk bleek, is jezelf verrassen/raken niet onmogelijk. En niet alleen wil ik hier uitdrukken dat ik zó leef, want wie interesseert dat maar ik raak daar ook aan de constructie, de blauwdruk van de mens. Want ik ben zoals ieder ander: “Aan mezelf…….” (menu). En de ratio staat er bij en kijkt er naar maar krijgt de vinger er niet achter; het gaat te snel en te intuïtief voor de linker hersenhelft. Verwoording is bijzaak doordat vóór de woorden het fenomenencomplex zijn ogenblikkelijke werk al doet zoals beelden en geuren ons veel sneller iets ‘zeggen’ dan een data-invoer via het taalcomplex. De kermis ‘leven’ valt ongenood en onafgebroken met de deur in huis. De mens ontsnapt er niet aan door fenomenen besprongen te worden en de ordening in taal of wis-kunde helpt hem daarbij nauwelijks en komt in alle gevallen achteraf. Daar ook is kortstondig onze ingang om bespeeld te worden en het ware te wensen dat de mens zelf die ingang eerder opmerkt dan dat spindoctors en het leger aan influencers dat doen.
Over instant muziek. Een vuurtje stoken.
Instantaan leven: ik noem dat klimmen in een boom die ik onderwijl verzin. Jezelf ‘bespelen’ in een verregaande eigen zinnig-heid. Het lijkt op het fabuleren zoals kinderen dat zo fijn kunnen en het resultaat is doorgaans een half-fabrikaat en vergt de tegemoetkoming (of is het mede-lijden?) van luisteraar of lezer dan wel bewerking om het geschikt voor ‘inwendig gebruik’ te maken. Maar het is verrijkend om te bemerken hoe je jegens en binnen jezelf fenomenen kunt oproepen en zo met anderen samen een vuurtje kunt stoken. We kunnen elkaar en evengoed onszelf bespelen. Ik vermoed dat hier ook de bravoure van helderzienden en sjamanen vandaan komt. Die moeten hun manifestaties toch ook ergens vandaan halen. Hun wichelroedes kunnen niet zonder aansturing. De werking daarvan wordt ideomotorisch effect genoemd. Het lijkt me de mens als zelfbegoochelar ten voeten uit met de gretige en dankbare ontvangst door hun gehoor als nog meer bevestiging van de juistheid van al die dwaalleren. In de eerstepersoon lukt dat het gemakkelijkst en de truc nadien is om je fabels met derden te delen; jezelf en elkaar uit te lachen en niettemin trouw te blijven. Alleen zoiets, zo’n ‘achterdeur’, maakt ons opportunisme aan de voordeur enigszins dragelijk.
(En zo, zichzelf en elkaar bespelend maakte Nono Ego een jaar of zestien lang wekelijks muziek. We kwam bij elkaar, zaten aan tafel met koffie en al spoedig met bier, praatten wat met elkaar met de instrumenten gestemd en aangesloten en de recorder op scherp. Terloops begon iemand te spelen, te zoeken en voor zover dat een ander aansprak “stapte die in” en leverde een eigen bijdrage terwijl en passant en stilzwijgend duidelijk werd welke kant het op moest met het stukje geluid dat al gauw als muziek gold. En zodra dat wat reliëf, koers en inhoud kreeg, speelden we zo’n stuk door en de boel kon dan wel eens goed ‘in de hens‘ gaan. Al in een vroeg stadium heb ik afgeleerd om de recorder pas dán aan te zetten als er “iets zinnigs gebeurde” want die aanpak was de beste manier om goede stukken te missen. Instantaniteit is genadeloos en eenmalig. En hoewel er ontzettend veel stukken niet of niet goed zijn opgenomen door de grimmige en schijnbare wetmatigheid dat er juist als er iets muzikaals perfect gaat lopen, de recorder is gestopt, de tape op z’n einde, de drums of de bas niet worden opgenomen of wat ook, niettemin zijn er veel stukken tamelijk goed vastgelegd met dank aan mijzelf want niemand anders heeft zich ooit over het opnemen van onze muzieksels bekommerd. Tot zover Nono Ego, de zichzelf- en elkaar-bespelers in een wekelijkse bubbel vol klankvreugde.)
Muziektheorie heeft mij nooit bereikt. Dat is misschien spijtig want als ik de moeite had genomen, had ik veel gemakkelijker met anderen kunnen samenspelen ook al is theorie niet meer dan een rationele ‘bouwsteiger’ die direct na de oprichting van het toneel moet verdwijnen. Daarentegen moest ik bij gebreke van houvast vanaf een lessenaar of de partituur in mijn hoofd eerst geraakt worden en kon dan pas het ‘vuurtje gaan stoken’. Door dit gebrek geldt dat ik, doorgaans op de gitaar, de eerste aanzet moest geven want “instappen” zonder inzicht in solfège lukt maar zelden. Tegelijk is mijn kleine eigenaardigheidje, mijn talentje juist gelegen in de vaak onconventionele harmonieën die dan naar boven komen, enigmalig maar best wel een origineel. Muziekvriend Wilm zei dan ‘wees maar blij dat je niet te veel weet, dan kun je ook niet in de war raken’. Zou kunnen. Ik doe het maar zoals het gaat. Maar hier nog meer dan elders ben ik totaal afhankelijk van het moment. Ik mis dragende kennis om op terug te vallen. Hoe dan ook: “de slang moet opkomen uit de mand”. Het geluid moet betekenende samenhang, muziek worden. Zichzelf verhelderen, aanspreken en geen vragen oproepen. Zin aanreiken, raken, engageren, fascineren, boeien. De toewijding van de muzikant zet zichin de luisteraar voort. Hoe dan ook.
Live- muziek is fysiek, momentaan en veelal grondig voorbereid, niettemin blijft het afwachten of tijdens de uitvoering ‘de slang weer uit de mand omhoog’ komt. De klankbeleving bestaand in samenhangende geluidstrillingen moet telkens opnieuw te voorschijn getoverd, ter plaatse waar gemaakt, worden waar beeldende kunstenaars één keer ‘vlammen’ en nadien kunnen volstaan met gezapig exposeren en meer of minder cashen en gedragen worden. Maar ook ken ken ik geen bloedelozer taferelen dan het bezoeken van slecht bezochte exposities met de kunstenaar zelf als smachtende zaalwacht; de gebluste winkelier temidden van zijn ‘troetels’. De muzikant daarentegen moet telkens opnieuw zijn ‘Nachtwacht’ produceren en dient avond aan avond zich leeg te persen en zie ook de zwoegende dirigent zijn orkest voor de zoveelste keer een topprestatie trachten af te dwingen. Vechtend, stressend om de be-doelde klankvreugde tevoorschijn te krijgen. Eindeloos reizend en afhankelijk van velerlei techniek en van de eigen fysiek. Muzikanten moeten telkens weer dat ‘kind’ baren, vlammen, gloeien. Geen wonder dat daar wel eens wat farmacie aan te pas komt net als in sportbeoefening. Voor life-muziek is al gauw een beetje publiek te vinden en voor velen is het de enige weg naar wat brood op de plank. Gemiddeld worden kunstschilders, schrijvers cs dan ook gezonder oud dan muzikanten. Maar het intense genieten maakt veel goed. Het opgaan in musiceren was een van de peilers in mijn bestaan. Ik heb er op geheel eigen-wijze intens van genoten. Het is het bestaan in een notedop.
Alleen wat aan onze grondslag bijdraagt wil ik meenemen in het basale mensmodel dat ik najaag. Een verklarend model voor vrede, liefde, haat, oorlog, compassie en zelfzucht en dat alles includerend, niemand uitgezonderd en tot aan de eerste mens terug (“Aan mezelf ken ik….”: menu). Met ruimte voor ieders onvermijdelijke eerstepersoons wanen (menu: de epe) waarin het raadsel mens rond stapt en waaraan niemand ontsnapt : zonder waan, geen zinnigheid. Met kinderlijk geloof als beslissende factor in ons mens- en wereldbeeld. Net zoals een goed muziekstuk nauwelijks beter wordt van de woorden en ratio, maar de klankkleuren, warmte, trilling allesoverstijgend met luisteraars op de loop kunnen gaan. Sfeer is alles; in de grondslag van de mens is zijn zogenaamde wijsheid weinig meer dan een hick-up, een bubble binnen de existentie. We zijn inconsequent, onwaarachtig, opportunisten ten voeten uit en dat in te zien lijkt de beste voorwaarde om onszelf een dienst te bewijzen. Voelers zijn we, huiveraars, bij-gelovers, roddelaars, dwalend in eigen sprookjes met of zonder medestanders. Verbeeld je gerust iets over jezelf maar hou de ramen open en laat de frisse buitenlucht toe. Zelfspot lijkt de zinnigste way-out. Een zwemvest zonder garantie.
Zierikzee, mei 2004