Muziek-kunst-existentie. Hoe de mens geraakt (en bespeeld) wordt.

MUZIEK, KUNST, BESTAAN, nog steeds de zoektocht naar de grondslag van de humane poppenkast.

Vrijwel ieder mens is in aanleg muziek-, geluid-gevoelig en in staat om muziek te onderscheiden van geluid in het algemeen. Ook kan zo wat iedereen zingen. Stemgeluid dringt het diepst in ons door hoe fervent trompettisten, saxofonisten, pianisten, violisten en gitaristen ook trachten ons te beroeren en om te krassen op onze ziel. In praten en in zelfs in schrijven ligt al een wereld aan ritme en toon besloten en dat alles draagt bij aan de overdracht van betekenis. Making sense. Toon en vooral toonwisseling dragen mede de bedoeling van de spreker of de schrijver. Con-verserend zoeken we elkaar en daarvoor leent zich de gehele breedte van het sensoriale spectrum. Licht, geluid, geur, smaak, gezichtsuitdrukking, gebaren, lichaamshouding, decor en decorum, voorkennis van de ander, ambiance hoe dan ook, alles wordt ingezet om gedachten en bedoelingen over te brengen. Ieder normaal mens is vertrouwd met dit ‘instrumentarium’ maar niet iedereen is zich hiervan in gelijke mate bewust. De mens als voelend trommelvel, repercussionisten after all. Ontvangend en zendend tegelijk. Speurend naar, nee jagend op signalen, op betekenis, althans op gelegenheid om betekenis te verlenen. Duiden is een obsessie van de mens. Professionals op dit terrein weten ons, groepsgewijs of als enkeling verregaand te beïnvloeden en dat gebeurt ten goede zowel als ten kwade. Reclame is een door mij verfoeid voorbeeld hiervan. Het maakte radio en tv onverteerbaar en ook de openbare ruimte is prijsgegeven aan beïnvloedeers, heimelijke kapers van de menselijke wil. De vrijgeboren mens ligt ongemerkt toch weer in ketenen.

De muziekindustrie drijft op het impliciete sprookje dat muzikaal talent uitzonderlijk is om dat vervolgens te vermarkten; schaars en te gelde maken. De rechten op songs en beheersing van radio-, tv- en internetkanalen zijn een obsessie van degenen die daar de lakens uitdelen. Anderzijds is er onder mens grote behoefte aan idolatrie en verbazen velen zich gezeten voor de tv over de muzikaliteit van anonymi die naar voren komt tijdens talentenjachten en dergelijke. Die bewonderaars zouden daar evengoed zelf kunnen staan doordat het wel of niet muzikant (en ook artiest in het algemeen) zijn vooral afhangt van attitude. Succesvolle artiesten verwerven hun roem doorgaans door ijver, persisterenen, ambitie en wat geluk en beslist niet door talent alleen. De doorslag voor succes komt eerder van transpiratie dan van inspiratie. Talent voor muziek is niet schaars ook al wordt dat in den breede geloofd. Muzikaliteit is voor de gewone dagelijkse communicatie al van groot belang en vrijwel iedereen heeft daar verstand van.

Het alledaagse praten leunt voor veel van haar betekenis op klank- en ritme. Zo is ieder van ons maar wát verknocht aan het klankpalet van de moerstaal die het gemakkelijkst in ons doordringt. Mensen praten graag en het lijkt vaak belangrijker dát we praten dan wát we praten. Geluiden maken als expressie, ontlading, als overdracht van emoties. Trilling teweeg brengen, het affakkelen van drift, woede, angsten. Wij allen staan, gewild of niet, open voor boodschappen die onze intuïtie aansturen en die ‘muziek’ wordt verregaand bepaald door het type gesprek dat wordt gevoerd. Als een latente functie van woord- en stemgebruik. Is er discussie, informatie-uitwisseling, onderhandeling, bureaucratisch contact, staan we bij de bushalte of zitten we in de spreekkamer. Allemaal situaties met eigen taalstijl. Muziek samen met beelden zoals in film, musical of opera brengt nog weer gemakkelijker vervoering teweeg en dat wordt dan ook veel ingezet in propaganda die dan ongemerkt met mensen of zelfs de mensheid aan de haal gaat. De juiste trillingen, consistent en coherent in klank, inhoud, engagement, ontzettendheid, eventueel gevoelens van ten-strijde-trekken, van de zucht om ergens bij te horen dan wel om ergens tegen te zijn. Eenmaal in vervoering laat de mens zich al gauw voor welk karretje dan ook spannen. Ten goed of ten kwade. Wie onze ‘knoppen’ weet te vinden, kan er alle kanten mee op. Het juiste trompetgeschal, wat vlagvertoon, parades en een geschikt vijandbeeld en daar gaan we weer…… Het zou me wat waard zijn als mensen zich hiervan bewust worden zodat machtbeluste bespelers van dit “orgel” hun verborgen agenda niet moeiteloos en tot schade van allen, kunnen uitvoeren. Maar hier wil ik over muziek nadenken.

Dat de mens zo raakbaar is voor muziek geeft aan dat we open staan voor andere dan door de ratio gedragen kennis en kunde. We blijken polyzinnige wezens te zijn en we staan minder ver verwijderd van regendansen en zasen dan doorgaans wordt aangenomen. Geloof onderscheidt zich in niets van bijgeloof. De Verlichting was een verdienstelijke ontwikkeling in zoverre dat wetenschappelijke discipline tot betekenis kwam en materiële vooruitgang bracht maar het heeft de mens en de dynamiek waarvan hij onderdeel uitmaakt niet opeens van een andere grondslag voorzien. We zijn nog altijd de onzekere oermens gevoelig voor Wodan en Donar-achtige waarheidsvinding. Voor de muzen is de ratio niet meer dan een van de vele facetten van de mens. De ontwikkeling van onze soort verloopt ook eerder cyclisch dan dat we in een fijne stijgende lijn vooruitgang boeken en dan liefst met als finale onze intrede in het paradijs of nirvana. No way. Bloeddorst is nooit ver weg en de natiestaat is vooralsnog het minst beroerde middel om dit te beteugelen.

Wetenschap als anker voor kennis kan niet zonder voorwaarden. Coherentie in de menselijke beleving van het bestaan is geen vanzelfsprekendheid. Gehechtheid aan wiskunde blijkt au bout portant net als ’s mensens liefde voor religie een vlucht terug naar onszelf. We verzinnen een orde en leggen die op aan de werkelijkheid maar we blijven dan nog altijd slechts geworteld in de eigen perceptie. Houvast daarbuiten is een illusie. Het algemene deel van het onderwijs gaat aan deze wis- en waarachtige wankelmoedigheid voorbij. Onze dada-kanten worden als kinderlijk weggezet terwijl we opgewekt worden gevormd tot producent of consument van suffe spulletjes. Economie wordt dan economisme en kunst, de muze wordt jammerlijk als tweederangs belevenis beschouwd. Nadat de mens eeuwenlang tot ootmoedig erfzondaar werd gepraat moet hij zichzelf nu welvarend consumeren liefst door het maken van schulden. Big Finance als vervanger van Big Religion.

Maar intussen bezie ik het leeuwendeel van de gesprekken tussen mensen veel meer als vogelzang, geluid met een instinctieve functie. Er valt toch ook niets nieuws te zeggen in een geschiedenis die zich herhaalt. Ons bestaan wordt niet meer dan een speeltuin en hoe fijn is dat ? In politiek en omringend commentaar wordt door een leger publicisten met dédain naar onderbuikgevoelens verwezen, maar ik meen dat daar de crux van de mens besloten ligt. Populisten bespelen deze ontvankelijkheid zonder gêne. We zijn veel meer muzisch dan rationeel. Wetenschap is mooi en soms nuttig maar heeft in de existentie niet het laatste woord. Het spijt me voor Richard Dawkins maar dit inzicht leek zijn pet te boven te gaan. Zonder geloof is er geen weten. De wetenschap mag dan binnen zichzelf veel vooruitgang kunnen tonen, in termen van de muzen is vooruitgang niet te zien en bovendien nauwelijks denkbaar noch noodzakelijk. Als social wezens zijn onze instincten geen haar beter dan die van 2 of 3 duizend jaar geleden. Kijk maar om je heen.

Zij die in mindere mate de indirecte, de semantische kant van taal gebruiken beogen meer contact en verbroedering door het effect van de klanken, hun toon en ritme, hun herhalen naast lichaamstaal en alle bijkomend decorum. Hun gebruik van taal is eerder direct en dierlijk door klank en make-up (niet alleen oogschaduw maar ook Harley Davidsons vallen daaronder) waaraan evengoed communicatieve (verbindend én onderscheidend) betekenis toekomt. In verschillende mate lijkt de mens op de mannelijke paradijsvogel. En ook al lijken die ondiepe betogen slaapverwekkend en getuigen ze schijnbaar van een klein palet, ze worden aangestuurd door dezelfde driften, verlangens en noden als de wereldwijze kosmopolieten tot wie zo’n grote afstand lijkt te bestaan. We zijn allen vrijwel gelijk en niet meer waard dan een dierensoort. Niks Kroon op de Schepping.

En ook de inhoud van onze gesprekken snijdt doorgaans niet veel dieper dan de uitwisseling van affectie en het geruststellen van elkaar van ons vraagt. We gaan elkaar aaien, sussen, niet afvallen, niet aanvallen. Wederkerig vormen we voor de ander dan een een haardvuurtje. Naast vijanden hebben we op ons palet ook vrienden nodig en die benoemen we naar believen. We zoeken stamgenoten en kruipen nog dichter bij elkaar door gedeelde vijandbeelden. Praten elkaar naar de bek. Mag allemaal zolang we het maar niet te serieus nemen.

Over instrumenten gesproken. Zijn wij zelf als snaren, trommelvellen, trillingzenders en ontvangers en zijn we veel meer intuïtief, instinctief dan rationeel betrokken op de omgeving? Was de Verlichting dan niet de grote metamorfose van primitief naar verstandelijk zoals dat wel beweerd en geloofd wordt ? Is verstand, keuzevrijheid, niet veeleer een mankement in de zin van gebrek aan instinct ? Radeloosheid is iets van de mens en niet van de dieren.

Zang in een onbekende taal raakt mij even gemakkelijk zonder inzicht in hetgeen waarnaar de woorden verwijzen. Geschreven tekst is evenzeer tonale partituur. Stil lezend zoemt niettemin het klankspel dat besloten ligt in de tekst door onze klankkast en worden we geraakt door fantoomgeluid ? Geluid dat net als geur een veel directere inslag op onze beleving heeft dan de letterlijke betekenis van woorden. Tijdens een gesprek luistert onze huid en middenrif mee naar klank en ritme van de stemgeluiden. Hypergevoelig zijn we voor de connotaties in geluidswendingen naar toonhoogte, volume, ritme, alles samen met gezichtsuitdrukking etc. Stemgeluid ‘zegt’ ons het meeste, raakt ons het eerst. Een makke aan uitsluitend instrumentale muziek is het ontbreken van het geluid dat ons het gemakkelijkst bereikt en informeert. Solerende instrumentalisten kunnen op hun kop gaan staan en gitaristen, violisten, pianisten kunnen persen wat zij willen, maar snaren krijgen nooit het rakend vermogen van de stem. Blaasinstrumenten lijken betere kaarten te hebben door de luchstroom die ze met stemgeluid gemeen hebben, de techniek komt meer overeen maar Miles Davis, Chet Baker, Cris Hinze, Ian Anderson (Jethro Tull) konden blazen en rode hoofden krijgen wat ze wilden, stemgeluid is het rijkst beladen met emo-info. Het is geluid dat onze soort altijd heeft omgeven. Drager van het totale palet aan menselijke emoties.

Ik denk aan malle praters als A. van Dis en F. Bolkenstein met hun bombastische übererudiete dictie. Tenenkrommende klanken vind ik dat, een pathologie maar wel een fenomeen dat informatie over de sprekers aanlevert met veel scheidende, onderscheidende informatie in de klank. 

Wie zou niet graag hebben gehoord hoe Bach zèlf speelde; hoe hij over zijn werk sprak en hoe zijn stem klonk. Heeft Bach gezongen, meegezongen met zijn orgel, componeerde hij neuriënd ? We moeten volstaan met een sterk vernauwd spoor, zijn partituren, tot leven gebracht door lieden die hun best doen maar de ware directe Bach-beleving is met hem gestorven. Partituren zijn jammerlijke reducties van Bachs eigen klanken. Wat zou die man genoten hebben van een mooie vleugel maar daarvoor verscheen hij te vroeg op aarde. In zijn tijd was de piano nog in ontwikkeling zodat hij slechts kon schrijven voor het aanslagongevoelige klavecimbel-idioom. Van Zappa heb ik best wel eens genoten, maar de uitvoeringen door anderen lieten mij steenkoud.

Een van mijn piepkleine brokjes muzikaal talent kwam te voorschijn in de instant teksten die ik te berde bracht. Primair gold dan dat het verklanken, het klinken juist moest verlopen met andere woorden dat het connoterende aspect van het stemgeluid moest aansluiten bij de sfeer van het stuk dat gespeeld werd maar als mooi meegenomen viel er ook opmerkelijk vaak in semantische zin veel op z’n plaats. Meer dan eens perste ik er aldus in 1 keer een bruikbare tekst uit. Het beste voorbeeld is het lied ”Uie” maar er zijn er veel meer die met wat redactie- en schaafwerk een volwaardig stukje belletrie inhielden, passend in toon, sfeer, stijl. Maar al instant-zingend is mijn eerste zorg dat de harmonie, de stijl-, de sfeer-aspecten moeten kloppen en dan is de betekenis van de woorden slechts 1 van de aspecten.

Over het weten van het lichaam, van de vingers, van eigen aanleg en kunde van ons lijf en wat het aan kennis vergaart in de loop van een leven. Wat dacht je van dansen ?

Een samenkomst van mijn ideëen over instantisme en de “huivering mens” zie ik als mijn gitaar en ik elkaar bespelen. Wederkerig. Zó speel ik en zó leef ik ook het liefst. Zó ook bereid ik mijn eten vanuit actuele honger, bedrijf ik de liefde, werk ik in mijn tuin. Ogenblikkelijk. Wij zijn op zo’n moment aanzet maar ook klankkast voor de eigen ondervinding. We roepen iets en ondergaan de echo daarvan in onszelf, gooien stenen in ‘het water’ en voelen iets in onszelf golven. Dáár zit ergens ‘het autonome’ van ons sensorium, van dat stel sensaties die samen één mens vormen. Een ‘bijenkast’ vol neurale activiteit. Daarin passen ook mijn schreeuwpartijen in de loop van lange eenzame autoritten door Europa. Ik schreeuw mijn eigen binnenste aan en onderga daarvan het effect. Het is een milde vorm van mezelf laten schrikken wat me nooit echt is gelukt, maar de echo van m’n eigen kabaal doet iets met me. En niet alleen wil ik hier uitdrukken dat ik zó leef, maar ik raak daar ook aan de constructie van de mens. Want ik ben niks bijzonders. Ieder van ons is zinderend en ondervindend. Verwoording is dan bijzaak doordat vóór de woorden het fenomenencomplex al met veel aplomb plaats vindt. It just ís. No time for why, why, why…….De kermis ‘leven’ valt almaar, daartoe genood of niet, met de deur in huis. Onafgebroken.

Ik hou van de onzekerheid van de gitaar, het moeten afwachten of er iets komt, klopt, zingt, zindert, vlamt naast de altijd op de loer liggende onzuiverheid van toon die je in je oor, dus op het allerlaatste moment, soms toch nog betekenis kan geven: “wat je hoort, is hoe je luistert”. Het is een samengaan van doen en ondergaan. En hoe je dan door wat je hoort weer verder speelt, zoekt, twijfelt, vindt en dat samen met anderen. Ik speelde nooit als een schaap een partituur na ook al zijn er anderen die aldus prachtige muziek te berde brengen. Ik voel me dan een draaiorgel waar zo’n gaatjeskaart in gestoken is. Een willoze uitvoerder.

Het lichaam heeft een eigen leven en dat gaat niet alleen over de autonome processen zoals ademen en voedsel verteren. We kunnen het lichaam iets leren. Door oefening, door repetitie. Dat gaat van steile wandklemmen tot kunstschaatsen en piano spelen. De vingers hebben uiteindelijk eigen kennis van zaken. Weten de weg. Kunnen je verassen. Voor meevallers zorgen. Met je op de loop gaan zelfs. Ons lichaam heeft ook een eigen leven.

Over muziek. Een vuurtje stoken.

Mijn muziseermethode lijkt sterk op de wijze waarop ik schrijf: ik noem dat klimmen in een boom die ik onderwijl verzin. In een verregaand eigen zinnigheid. Moet bekennen dat dit zich in weinig onderscheidt van fabuleren zoals kinderen dat doen. En zo speelde Nono Ego een jaar of zestien lang wekelijks, de laatste jaren op zaterdag van 1100 tot 1600. We kwam bij elkaar, zaten aan tafel met koffie en al spoedig met bier, praatten wat met elkaar met de instrumenten gestemd en aangesloten en de recorder op scherp. Terloops begon iemand te spelen, te zoeken en voor zover dat een ander aansprak “stapte die in” en leverde een eigen bijdrage terwijl en passant en stilzwijgend duidelijk werd welke kant het op moest met de muziekstukje. En zodra dat wat reliëf, koers en inhoud kreeg, speelden we zo’n stuk door en de boel kon dan wel eens goed ‘in de hens‘ gaan. Al in een vroeg stadium heb ik afgeleerd om de recorder pas dán aan te zetten als er “iets gebeurde” want die aanpak was de beste manier om goede stukken te missen. En hoewel er ontzettend veel stukken niet of niet goed zijn opgenomen door de grimmige en schijnbare wetmatigheid dat er juist als er iets lukt de recorder is uitgesprongen, de tape op z’n einde, de drums of de bas niet worden opgenomen of wat ook, zijn er veel stukken tamelijk goed vastgelegd met dank aan mijzelf want niemand anders heeft zich ooit over het opnemen van onze muzieksels bekommerd.  

De DAT-recorder en de computer kwamen voor ons wat laat beschikbaar maar we hebben daar toch wel wat aan te danken. Ruisvrij en tot 4 uur opnametijd. Die jacht op eigen stukken vergeleek ik wel eens met het maken van wild-life opnames maar dan van het eigen gezelschap. Ook gebeurde het dat één of enkelen bleven zitten omdat het gespeelde al rijp en rijk genoeg werd bevonden en meer dan eens kwam ook niet iedereen opdagen maar dan nóg kwamen vaak leuke stukken van de grond. Ook de bezetting wisselde. Niemand zat vast aan een instrument. Vaak bleven er zinnige opnames van over. Soms een cd op één zaterdag. Andere keren was de muziek niet erg memorabel. Maar bijzonder was het samen zijn altijd.

Zang in een onbekende taal raakt mij even gemakkelijk zonder inzicht in hetgeen waarnaar de woorden verwijzen. Er is immers in mensenlevens al eeuwen niets nieuws onder de zon. Tekst is al gauw herhaling waar gevoelens momentaan, concreet, écht zijn

Wie zou niet graag hebben gehoord hoe Bach zelf speelde; over zijn werk sprak en hoe zijn stem klonk. We moeten volstaan met zijn sterk vernauwde slakkespoor, zijn partituren, vermoedens van wat hij be-doelde.

Alleen wat aan onze grondslag bijdraagt wil ik meenemen naar het axiomatisch mensmodel dat ik najaag. Een verklarend model voor oorlog, vrede, liefde, haat, compassie en zelfzucht en dat alles includerend, nie-mand uitgezonderd. Met ruimte voor het gelijk van ieder. Zoals een goed muziekstuk maar weinig beter wordt van de de woorden, maar de klankkleuren allesoverstijgend met luisteraars op de loop kunnen gaan. Sfeer is alles; in de grondslag van de mens is de ratio weinig meer dan een hick-up, een zijtak aan de existentie. Voelers zijn we, huilebalken, bij-gelovers, roddelaars. Verbeeld je maar niet te veel over jezelf. 

Muziektheorie heeft mij nooit bereikt ook al heb ik enkele pogingen gedaan om daarmee vertrouwd te raken. Ik ben daar niet trots op want als ik de moeite had genomen, had ik veel gemakkelijker met anderen kunnen samenspelen. Nu geldt dat ik op de gitaar de eerste aanzet, de accoordencombinatie, moet geven want “instappen” kan ik niet. Dat is anders wanneer ik zing, drum of meespeel los van toonhoogtes. Tegelijk is mijn kleine eigenaardigheidje, mijn talentje juist gelegen in de vaak onconventionele harmonieën die ik dan te berde breng. Muziekvriend Wilm zegt dan ‘wees maar blij dat je niet te veel gevormd bent door theorie’. Zou kunnen. Ik doe het maar zoals het gaat. Maar hier nog meer dan elders ben ik totaal afhankelijk van het moment. Ik mis dragende kennis om om op terug te vallen. Hoe dan ook: “de slang moet opkomen uit de mand”. Het geluid moet muziek worden. Zichzelf verklaren. Behagen, aanspreken, geen vragen over zichzelf oproepen. Zin aanreiken. Engageren, fascineren, boeien. Hoe dan ook. En dat vérgt van je. Zenden, overdragen, attitude, focus, toewijding. 

Muziek is fysiek, uitwendig, onvermijdelijk momentaan. Onverschillig of je instant speelt of vaste, bestaande stukken uitvoert. Alsof telkens opnieuw de Nachtwacht wordt geschilderd, beter nog dan de vorige keer, virtuozer, zie de zwoegende dirigent, de gedrogeerde popmuzikant. Vechtend om de gewilde betekenis teweeg te brengen. Ze moeten telkens weer pérsen, een kind baren, vlammen, gloeien. Publiek ervaart muziek graag life. Gemiddeld worden kunstschilders, schrijvers cs dan ook ouder dan muzikanten, zo meen ik. Maar het intense genieten maakt veel goed. Het opgaan in musiceren is/was een van de peilers in mijn bestaan. Ik heb er op geheel eigen-wijze intens van genoten.

Hierna volgt een tekst afkomstig van de website van wat ooit de Stichting Naammaak was, opgezet om de opnames die ik met andere muzikanten maakte te beredderen. Omdat ik de bewoording van destijds nog altijd van kracht vind, geef ik de gehele tekst weer. Daarna reutel in nog wat voort over de menselijke omgang met geluid en geluiden.

Stichting Naammaak. Centrum voor eigen wijs, volkskunst en ontscholing

De Stichting Naammaak beheert een muziekarchief, bestaande uit ongeveer 1500 muziekstukken, zoals deze sinds 1975 met alsmaar comfortabeler recorders zijn vastgelegd. Onthouden of opschrijven was onmogelijk; opnemen daarentegen was een kleine moeite en legde bovendien de kern van de zaak, de emotie, de bezieling vast. 1300 van deze stukken zijn afkomstig van de band NoNo Ego.

Zoals Rembrandt de Nachtwacht niet telkens opnieuw behoefde te schilderen om deze te kunnen tonen, zo ook spelen de muzikanten in deze stichting hun scheppingen eenmalig, om vervolgens net als de ‘verwende ventjes’ uit de beeldende kunst ‘met de duimen onder de bretels’ te exposeren en hun zogenaamde withete momenten ten gehore te brengen door deze ‘op te hangen’. Exposities, toonstellingen van de Stichting NAAMMAAK kleden ruimtes aan met authentieke emoties zoals deze ontstaan tijdens de enige en meest intense uitvoering, het ontstaansmoment van de muziekstukken.

 

WAT IS MUZIEK OP DEZE SITE

Muziek is klankrijke trillingsstruktuur gevat in een tijdsframe, dat als geheel mensen kan beroeren. De beleving en waardering ervan is overgeleverd aan de soevereiniteit van de luisteraar, die afhankelijk van zijn/haar stemming wisselend kan reageren. Muziek stuurt het arsenaal gevoelens, dat vermoedelijk in ieder mens aanwezig is, aan. Muzikaal bezig zijn is daardoor niet veel anders dan je met mensen in alle denkbare facetten bezighouden. De componist/muzikant tracht doorgaans datgene dat hij/zij voelt of wil uitdrukken over te brengen aan de luisteraar. Ook de eventuele medemuzikanten luisteren en doen er alles aan om het publiek en zichzelf te beroeren, te verheffen, met als beloning een uniek moment van ontroering. 

Het fysieke aspect van muziek is volstrekt duidelijk: geluidstrilling in een tijdverband dat zich geheel en al beweegt binnen natuurkundige wetten. Ook over harmonie weet de natuurkunde nog het een en ander te zeggen, maar het is de luisteraar die bepaalt of hij muziek hoort dan wel betekenisloos geluid. Muziek is evenals de overige kunsten en bovendien net als het leven zelf, afhankelijk van betekenisverlening door individuele mensen: zoals het niet noodzakelijk is dat een volkslied of een protestsong swingt (muziek ondersteunt dan tekst, dient een niet artistiek doel), zo kan rytmische muziek met onverstaanbare teksten onze heupen niettemin in beweging brengen. Zo duidelijk als het fysieke aspect is, zo onbegrensd en ongrijpbaar is vaak de reactie van de luisteraar; subjectiviteit is troef.

Onder muziek waarmee de Stichting Naammaak zich bezighoudt, wordt hier te allen tijde verstaan de substantie in haar enige muzikale, niet gereduceerde vorm: directe opnames van muziekstukken, geen partituren of losse partijen. Muziektheorie, althans muzieknotatie is voor muziek wat steigerbouw voor een op te richten gebouw is: een bijzaak, geboren uit noodzaak, met nadien de hamvraag of het zó wel bedoeld was.
Waar in de ‘bouw’ en met betrekking tot het notenschrift geldt dat ‘meten weten is’, had de muziek die hier aan de orde is, niet kunnen ontstaan met behulp van dergelijk simplistisch en grof gereedschap. 

De muziek binnen deze stichting is een geluidsjournaal van toen-en-toen, daar-en-daar, met als gelukkige omstandigheid dat een recorder aan stond. Als op een (tijd-)schilderdoek wordt het geluid vastgelegd. Het trillingpakket is gevangen en het resultaat wordt mitsdien inmiddels gedragen door de computer; zonder dit nieuwe speeltje, was dit kolossale archief vrijwel onbeheersbaar. In de loop van de tijd worden de opnames stuk voor stuk bekeken op de noodzaak en geschiktheid om te worden bewerkt; de intro’s, waarin de muzikanten (soms tastend in het duister) trachten ‘elkaars handen te pakken’ en andere ‘dwaalmomenten’ of technische verstoringen worden weggeknipt en worden stukken beter geschikt gemaakt voor ‘inwendig gebruik’. Aldus ontstaan steeds meer mutanten, de gepolijste versies; er zijn 1500 muziekstukken, waarvan 120 inmiddels zijn bewerkt, hetgeen per muziekwerk 2 tot 5 uur in beslag neemt. De bewerker/editor in de stichting hoeft zich nooit meer te vervelen. Hij klaagt niet, want ook dit bewerken is muziek, een spel met, voor en door gevoelens.

 

WAT BEZIELT DEZE STICHTING?

De Stichting Naammaak wil voorkomen dat een archief vol originele, mogelijk zelfs vernieuwende muziek op weg is naar de prullenbak zonder ooit te zijn gehoord. De stichting koestert de pretentie dat haar muziekbestand zowel door de ontstaanswijze als door de uiteindelijke muziekstukken een cultureel fenomeen vormt waarvoor aandacht gevraagd mag worden. Al dit muziekwerk komt voort uit puur speelplezier, heeft oorspronkelijk niet eens als doel publiek te vermaken, carrières te zoeken, bij te verdienen of te imponeren op concoursen, dan wel om als variant op wekelijks voetballen, bridgen, toneelspelen of paardrijden, de deelnemers ‘van de straat te houden’. De oorzaak van dit archief is de oorzaak van muziek en kunst in het algemeen: de homo ludens, de spelende mens; spel-en-der-wijs. De stichting beoogt het houden van exposities van voormelde muziekwerken, TOONstellingen, waarbij gaandeweg een herhaalbare vorm voor presentatie zal worden gezocht en waarbij het expliciete gebruik van licht en overige kunstzinnige uitingen mogelijk blijft.

CENTRUM VOOR EIGEN WIJS, VOLKSKUNST EN ONTSCHOLING 

De stichting beschouwt de rol van kennis en efficiëntie in onze samenleving met argwaan, aangezien een mens voor al wordt gestuurd en gevormd door emoties, driften, affecties en dat soort zaken. De omgang van mensen met elkaar is primair gebaseerd op uitwisseling van sympathie en afkeer, met zelfbehoud als richtlijn. De stichting bepleit het terugdringen van de rol van feitenkennis ten gunste van emoties die voor de uiteindelijke intelligentie van de mens als sociaal dier van elementair belang zijn. Al te gemakkelijk wordt vooruitgang gezocht in cognitieve systemen in een coherente omgeving, terwijl ons bestaan in essentie door de complexe dynamiek die tijdverloop teweeg brengt eerder lachwekkend en hilarisch willekeurig is. We veronderstellen dat vooruitgang een kenmerk is van de ‘onze tijd’ en zijn geobsedeerd door een streven naar efficiëntie hoewel een uiteindelijke doelstelling ontbreekt: wat moeten wij op deze planeet?

Gedachteloos wordt de ratio verheven tot reddingboot en methode bij uitstek om het menselijke bestaan te beschouwen en te verbeteren, waarnaast onze behoefte aan helden, religie, heroiek en dramatiek wordt bijgezet in het rariteitenkabinet van kunst, roes, spelletjesmakers en televisiedominees. Menselijke relaties hebben aan de oppervlakte veelal cognitieve zaken tot onderwerp en onze (doorgaans ambtelijke) taal is daar ook hoogstens geschikt voor. Datgene wat muziek en kunst met mensen kan doen, geeft aan dat onze beleving irrationeel is en een eigen aard heeft zodat wellicht ook het existentiële gelijk aan niemand is voorbehouden. Een dansend mens is vast niet ongelukkig en doet weinig verkeerd (spreken is zilver, voelen is goud). Zucht naar vervoering, verheffing is mogelijk een kenmerk van onze soort: ‘kill the ratio!’. In de muziek van deze stichting wordt veel gezongen maar gaat de aandacht ten eerste uit naar de klank van de zang. De betekenis van de woorden zijn een grappige bijzaak, er valt immers weinig te zeggen, hoogstens te spotten. Stel het denken maar wat uit ‘houmijdom!’ en aanvaardt dat ons bestaan, behoudens vrijwillig geloof, waarschijnlijk van nergens naar nergens gaat zodat niemand gelijk heeft en respect voor de ander (naastenliefde als eigen belang) de enige passende houding is. Wij, camera die de kolkende willoze omgeving naar believen aanvult en domineert met projecties om het resultaat schaamteloos als exclusieve waarheid te beschouwen. Doe eens wat meer aan zelfspot.

Omdat ons samenleven expliciet wordt geschoeid op een economische leest en marktwerking het geheel mag structureren, wordt ook de individuele burger een eenmansonderneming, die in een illusoire want jammerlijk door reclame geannexeerde, vrijheid, zijn bestaan aan zichzelf mag uitleggen. Alles wat kenmerkend is voor het doelloze potsierlijke wezen dat wij in essentie zijn, wordt miskend. Efficiëntie is hoogstens gewenst in ruimtevaart en fabriekshallen of andere praktische deelproblemen. Wij mogen en kunnen wellicht maar beter zelf betekenis zoeken voor dit ondermaanse verblijf, waarbij voor al emoties, affecties en de existentiële hilariek een rol spelen, aangezien kennis steeds struikelt over de vertroebelende gevolgen van het feit wij niet in een foto of een schilderij leven. Dat zou gemakkelijk zijn, maar het zijn vele films door elkaar met weinig echte herhaling. Álles fluctueert in de tijd, wijzelf niet in de laatste plaats. Muziek biedt daarbij, in de diepte van een tijd- en ruimteframe, met enige tijdsduur en wat ruimte als een onzichtbaar schilderdoek, een klankrijke, zinvolle beleving, vervoering, roes desnoods met onze hartslag als uitgangspunt. 

GEVOELT TELT   

Wie covers speelt, composities/ partituren uitvoert, loopt gebaande paden, schept niet zelf en beoogt een herhaling ook al is de ondervinding van die muziek ter plekke wederom uniek en momentaan. Een partituur op zichzelf is niet fijnzinniger dan Lego; zonder een bezielende uitvoerder is er niets. Zo’n uitvoerend muzikant streeft er doorgaans naar om de gevoelens die de componist voor ogen stonden opnieuw naar boven te halen. Muziek schept geen eigen, nieuwe gevoelens, maar roept deze op uit het bestaande arsenaal in de menselijke ziel, de geest of waar die gevoelens zich ook maar ophouden. 

Op deze website zeggen wij: niks metronoom, gevoel telt en verheft geluid door klank, toon en ritme tot muziek. Kijk maar eens door de microscoop naar die tellen. Erom heen zie je voetafdrukken, de hazenpaden van de meest vervoerende stukken, evenals rond de theoretisch juiste toonhoogte. Muziek, de kunst van het luisteren, is overgeleverd aan de ziel van de luisteraar (die ook vaak de bottleneck vormt). Het brandpunt van de handeling zit in de oren en niet in de vingers, de longen of de stembanden en zelfs de spelende muzikant is primair luisteraar. Muziek brengt vervoering, verplaatst onze zinnen naar wanen en kan per definitie waanzinnig worden genoemd. Dromen, liefde, muze, het lijkt dezelfde substantie.

SPEL-EN-DER-WIJS

In deze stichting gaat het om ‘instant’ composities: eerst doen, dan denken. Spel-en-der-wijs, ‘out of the bleu’, speelt iemand een riedel, geeft een maat of wat dan ook en een ander zet dit voort, sluit zich aan, voegt brutaal iets toe of geeft een rare draai aan de vaag verschijnende muzikale figuur. Er is een intentie maar er ligt ook veel open. Vaak ontstaat overeenstemming over waar we ons bevinden in ‘het landschap van gevoelens’, over waar wij ons wanen. Soms zijn we profaan, braaf, dan weer statig, voornaam of juist onaanzienlijk, liederlijk of alledaags. We turen door verrekijkers en loeren door microscopen, staan verdwaasd voor de spiegel, zijn en zien veel mensachtigs, voelen ons verknipt, ver weg in ‘outer space’ of gewoon in Spanje, Afrika, China of Chigaco. Op ons palet kun je de meeste menselijke gevoelens wel eens aantreffen. Het is vaak theatraal en nogal eens ‘over the top’, hilarisch, maar wees gerust, alles heeft een ‘power-off’ knop. 

Scheppend spelen, ‘musiceren zonder reproduceren’ (Esmé Soesman, Prov Zeeuwse Courant d.d. 2 juni 2003) ontstaat op het ‘eigen’ moment en wordt mede door dat spel gevormd. Opgewonden door de voorgaande secondes krijgt het volgende moment karakter en lading en als alles vrij is en uitsluitend muzikale aspecten, klank en snelheid, de collectieve discipline dicteren, ontstaan melodielijnen en instant scheppingen die op geen ander moment geboren kunnen worden. Wanneer dat moment dan bovendien gedeeld wordt door vier of vijf muzikanten die zo’n sensatie delen en deze naar andere ontwikkelingen sturen, dan is muziek, althans voor de deelnemers, op haar mooist. Het ijzer is heet en wordt gesmeed; het is witheet en gewillig als was in de handen van soms brutaal, dringend, prangend talent, dat impressies en expressies samenbrengt, dat ingevingen weet te combineren met de onvermijdelijke discipline van het moment. Dank-zij-elkaar ‘bereiken de golven het strand’. Eenheid in verscheidenheid; sollend met conventies, maar niet oeverloos.

‘Het’ is groter dan de deelnemers en ‘het’ overstijgt het feitelijk gegeven van gespannen snaren en vellen en wat printplaten. Dit vast te leggen met een stereorecorder (die maar zelden perfect is afgesteld) is onze enige kans. Afspraken over wendingen, eindes of wat dan ook zijn fataal voor de inspiratie; je mag niet te graag willen en de recorder moet voortdurend lopen. Het is een oerfout om met opnemen te wachten tot ‘het lekker gaat’. Het lijkt op het maken van een natuurfilm van jezelf: komen de zebra’s wel of niet drinken, paren de leeuwen op een plek die onze camera kan bereiken, waar blijft dat stomme hert nou!, die olifanten hebben zich verslapen! Een natuurfilm met jezelf als onderwerp, is dat dan hedonisme?

Onthouden en herhalen van stukken is voor ons onaantrekkelijk en gaat ten koste van al het nieuwe dat daardoor niet wordt gespeeld. Onze muziek is volledig afhankelijk van de uitvoering en valt daar zelfs mee samen, zoals van ‘echte muzikanten’ soms niet de compositie, het ontwerp, maar juist de uitvoering van toen-en-toen, daar-en daar met die-en-die technici in die-en-die-zaal gespeeld, de ultiem is. Jazz (maar ook andere) muziekstukken ontlenen hun bijzondere karakter vaak aan tijd- en plaatsgebonden, soms hilarische omstandigheden, vergissingen, stroomuitval, onderlinge spanningen, drank, publiek, vrouwen in het algemeen of in het bijzonder, haperende snaren of rieten, vergeten partijen, verloren partituren, blessures, ongesteldheden, enzovoort. 

Dit stuk tekst praat, hoop ik, niet alleen maar het gemis aan kennis van muziektheorie goed. Het doet dat wellicht mede, maar de muzikanten achter deze stichting zijn inmiddels gehecht aan wat aanvankelijk analfabetisme moest heten; zij spelen graag de eigen wijs, worstelend, ondergaand maar ook bovenkomend.

Zoals Rembrandt zijn Nachtwacht maar één keer heeft geschilderd en beeldende kunstenaars, anders dan uitvoerende muzikanten, nooit gestresst behoeven op te treden om, vervuld van plankenkoorts, jetlag of inspiratiegebrek aan de hand van genoteerde of in het hoofd gestampte sjablonen hun stukken opnieuw aan de kritische zintuigen van het publiek voor te houden, zo kan muziek stante pede en finaal een culminatiepunt vinden in de eerste geregistreerde uitvoering-die-tevens-de-schepping-is om nadien alleen nog maar te worden beluisterd; recorders vervormen niet. Alle intentie blijft bewaard: deemoed, hoogmoed, overmoed, oorlog en vrede, liefde, haat en angst, krankzinnigheid, hilariek, het blijft ‘ovenvers’, onaangetast en is eindeloos herhaalbaar; de computer is inmiddels het ideale conservenblik voor geluid. 

Doordat onze muzikanten maar zelden gezamenlijk optreden, missen ze de soms tastbare heroiek van applaus en dansende massa’s. Veel muzikanten/ entertainers zijn juist dáár op uit, maar dat gemis is gering ten opzichte van de bevrijding van reizen, eindeloze nachtelijke autoritten, slecht geluid, meer kosten dan baten en afwezig of chagrijnig publiek. Wij zijn gevrijwaard van de verplichting om te entertainen. Gelukkig maar, want we vliegen nogal eens ‘als een vogel tegen een ruit’. Het zij zo. Ook dat is maar een waan.

Ongeveer 30% van de aanvankelijk ruwe ‘speelsels’ (2 – 4 uur per zaterdag, de wekelijkse speeldag) komt in het archief, dat niet had kunnen ontstaan zijn wanneer dit beoogd repertoire was geweest. Het komt voort uit pretentieloos samenkomen en afwachten maar niet stilzitten, spelend luisteren en luisterend spelen. Luisteren naar andermans en eigen ingevingen, tasten-der-wijs, maar niet stuurloos, regeren door te gehoorzamen. Gewoonweg repeteren, er in stampen van afspraken kostte ons aanvankelijk mensenlevens aan tijd en inspiratie en heeft veel meer naargeestige vergaderuren dan muziekstukken opgeleverd. Wat ons nu wekelijks samenbrengt is de gerede kans dat we ‘de slang uit de mand spelen’. Hoe onaantrekkelijk ziet een partituur er uit, zo’n recept met in de marge een enkel woord over gevoelens. Maar wat zou je op papier zetten zo lang recorders en luidsprekers de klanken ‘Himmelhoch jauchzend, zum Tode betrübt’ kunnen weergeven en je je nadien dronken mag dansen op het afspelen van de beste uitvoering, die waardoor het stuk tot leven kwam.

Recorders hebben de uitvoerende, scheppende muzikanten verrijkt en bevrijd en hebben hen van ‘schilderdoek’ voorzien; creëeren, voelen, scheppen op het moment supreme, het brandpunt, de verheven en verheffende momenten waarop het ijzer heet, witheet is en waarop de ‘sky’ als ‘limit’ te benauwd lijkt. 

Hoe zou zo’n Nachtwacht er uit zien wanneer deze aan de hand van een door Rembrandt geschreven ‘bestek’, kwaststreek na kwaststreek, met allerlei aanvullende instructies ter zake de kleur en al die andere aspecten, telkens opnieuw moet worden opgezet, om alleen dàn eventjes zichtbaar te zijn? De Nachtwacht via lachspiegels? De essentie zou jammerlijk achterblijven in de bedoeling van die arme schilder, zelfs wanneer hooggeleerde professionals met hun dodelijke ernst een zo authentiek mogelijke uitvoering zouden geven. Een uitvoerend artiest is veelal virtuoos maar hij is voor al een soort draaiorgel; de gaatjeskaart stuurt de slaafse volgeling aan. 

Waar improviseren veelal het varieren op lang bestaande thema’s en axioma’s betekent, hebben de muzikanten achter de Stichting Naammaak een veel verdergaande vrijheid omdat er nimmer sprake is van ‘voorbedachte rade’. Daar komt een stuk uit de meest onverwachte hoeken. Vaak is bij het terugluisteren goed te horen wat ons op het moment bewoog; het is dezelfde reden als waarom het opnieuw voldoende intrigeert om te luisteren. Er is eenheid in verscheidenheid, zoals dat wel als voorwaarde voor scheppen wordt gezien. Het zijn geen geforceerde verzinsels, er was een tamelijk objectieve reden om te blijven spelen. Waar ‘dubbende’ muzikanten (spelen zelf alle partijen, drum, bas, nadien 1, 2 of 3 maal gitaar, konga, mondharp, ect.) uiteindelijk vaak ten onder gaan aan incestueuze eenvormigheid, zijn hier meerdere zielen, karakters in hetzelfde withete moment bijeen. Er is onderscheidende overeenstemming, die als het leven zelf zelden perfect is maar wel bijzonder, genoeglijk en bevredigend. In zo’n substantiele overeenstemming zit enige garantie tegen al te gekke dwalingen. Als een van de leden al te onbedaarlijk gaat luchtfietsen, sterft het stuk en keert de stilte, die weer ‘beschilderd’, althans bekliederd kan worden, terug.

BLABLATALK

Een ‘kind van de rekening’ bij al het voorgaande is de onderontwikkelde samenhang van de tekst. Soms weet de zanger op het laatste moment nog wel eens wat betekenis in de woordenstroom te frommelen, maar een ‘lopende band’ wacht niet op leuke gedichtjes. Veel verder dan associaties komt het veelal niet. Een enkele keer loopt het als een trein, ‘shit happens’ maar ‘luck too’. Bij de zang gaat de aandacht primair uit naar klank en toon. De toon is relevant als van elk instrument, maar daarbij komt dat zang zich opdringt en zijn natuurlijke plaats zoekt ‘voor in de kijkdoos’ van het stereobeeld, waardoor overige partijen tot begeleiding worden. Die centrale plaats dwingt niet per se tot het gebruik van zinnige bewoordingen; desnoods zingt een vogel. De zang is en blijft, ook zonder tekst, het meest ‘sprekende’, het gevoeligste onderdeel van een lied, als de stamper van een bloem (brrrrrr, hoor ik Guido Gezelle?, wegwezen!!!). Hoe viriel een saxofoon ook kan klinken, zang kan nog altijd nog intiemer, verhevener of dwazer klinken. Zelfs woordeloze c.q. betekenisarme zang. Hoe zou dat anders moeten met al die prachtige stukken in talen die wij niet zelf beheersen?

Zang trekt aandacht, is van nature dramatisch en is menszelf en menseigen; de ik-figuur in meeste liederen, identifcatiepunt bij uitstek. Als zodanig stelt de Naammaakmuziek niet teleur. Er is meer dan eens zang in de stukken en deze vervult de rol die in muzische zin vereist is, maar er wordt niet tegelijkertijd een geslaagd ‘gedichtje opgezegd’. Deze infantiliteit hebben wij onszelf al lang vergeven; leven doe je bij voorkeur met een knipoog naar jezelf. 

Veel songs (tekstliederen) willen primair iets zeggen, de tekst is dan waar het om gaat, waar het lied door begon en dat wordt aantrekkelijk gemaakt door deze op een melodie te zetten. Op dat punt grossiert dit archief in kwinkslagen en babytaal (blablatalk). De zang is eerder toegesneden op klank, op het oproepen van gevoel en is niet zo zeer gericht op cognitieve kanten. Hoor het verschil tussen bijvoorbeeld ‘tales’ (zeg het hardop) en ‘underground’, ‘ fiets’ en ‘slootkant’; klanken die sterk verschillende gevoelens oproepen ‘achterbaks’ en ‘lieslaarzen’, ‘stomp’ en ‘tingeltangel’, ik noem maar iets. Wie zijn ogen sluit ziet alles wat hij wil.

Zierikzee, maart 2002″

Tot zover de tekst uit 2002.