http://www.nonoego.com/

Stichting Naammaak

Centrum voor eigen wijs, volkskunst en ontscholing

STICHTING NAAMMAAK

De Stichting Naammaak beheert een muziekarchief, bestaande uit ongeveer 1500 muziekstukken, zoals deze sinds 1975 met alsmaar comfortabeler recorders zijn vastgelegd. Onthouden of opschrijven was onmogelijk; opnemen daarentegen was een kleine moeite en legde bovendien de kern van de zaak, de emotie, de bezieling vast. 1300 van deze stukken zijn afkomstig van de band NoNo Ego.

Zoals Rembrandt de Nachtwacht niet telkens opnieuw behoefde te schilderen om deze te kunnen tonen, zo ook spelen de muzikanten in deze stichting hun scheppingen eenmalig, om vervolgens net als de ‘verwende ventjes’ uit de beeldende kunst ‘met de duimen onder de bretels’ te exposeren en hun zogenaamde withete momenten ten gehore te brengen door deze ‘op te hangen’. Exposities, toonstellingen van de Stichting NAAMMAAK kleden ruimtes aan met authentieke emoties zoals deze ontstaan tijdens de enige en meest intense uitvoering, het ontstaansmoment van de muziekstukken.

 

WAT IS MUZIEK OP DEZE SITE

Muziek is klankrijke trillingsstruktuur gevat in een tijdsframe, dat als geheel mensen kan beroeren. De beleving en waardering ervan is overgeleverd aan de soevereiniteit van de luisteraar, die afhankelijk van zijn/haar stemming wisselend kan reageren. Muziek stuurt het arsenaal gevoelens, dat vermoedelijk in ieder mens aanwezig is, aan. Muzikaal bezig zijn is daardoor niet veel anders dan je met mensen in alle denkbare facetten bezighouden. De componist/muzikant tracht doorgaans datgene dat hij/zij voelt of wil uitdrukken over te brengen aan de luisteraar. Ook de eventuele medemuzikanten luisteren en doen er alles aan om het publiek en zichzelf te beroeren, te verheffen, met als beloning een uniek moment van ontroering. 

Het fysieke aspect van muziek is volstrekt duidelijk: geluidstrilling in een tijdverband dat zich geheel en al beweegt binnen natuurkundige wetten. Ook over harmonie weet de natuurkunde nog het een en ander te zeggen, maar het is de luisteraar die bepaalt of hij muziek hoort dan wel betekenisloos geluid. Muziek is evenals de overige kunsten en bovendien net als het leven zelf, afhankelijk van betekenisverlening door individuele mensen: zoals het niet noodzakelijk is dat een volkslied of een protestsong swingt (muziek ondersteunt dan tekst, dient een niet artistiek doel), zo kan rytmische muziek met onverstaanbare teksten onze heupen niettemin in beweging brengen. Zo duidelijk als het fysieke aspect is, zo onbegrensd en ongrijpbaar is vaak de reactie van de luisteraar; subjectiviteit is troef.

Onder muziek waarmee de Stichting Naammaak zich bezighoudt, wordt hier te allen tijde verstaan de substantie in haar enige muzikale, niet gereduceerde vorm: directe opnames van muziekstukken, geen partituren of losse partijen. Muziektheorie, althans muzieknotatie is voor muziek wat steigerbouw voor een op te richten gebouw is: een bijzaak, geboren uit noodzaak, met nadien de hamvraag of het zó wel bedoeld was.
Waar in de ‘bouw’ en met betrekking tot het notenschrift geldt dat ‘meten weten is’, had de muziek die hier aan de orde is, niet kunnen ontstaan met behulp van dergelijk simplistisch en grof gereedschap. 

De muziek binnen deze stichting is een geluidsjournaal van toen-en-toen, daar-en-daar, met als gelukkige omstandigheid dat een recorder aan stond. Als op een (tijd-)schilderdoek wordt het geluid vastgelegd. Het trillingpakket is gevangen en het resultaat wordt mitsdien inmiddels gedragen door de computer; zonder dit nieuwe speeltje, was dit kolossale archief vrijwel onbeheersbaar. In de loop van de tijd worden de opnames stuk voor stuk bekeken op de noodzaak en geschiktheid om te worden bewerkt; de intro’s, waarin de muzikanten (soms tastend in het duister) trachten ‘elkaars handen te pakken’ en andere ‘dwaalmomenten’ of technische verstoringen worden weggeknipt en worden stukken beter geschikt gemaakt voor ‘inwendig gebruik’. Aldus ontstaan steeds meer mutanten, de gepolijste versies; er zijn 1500 muziekstukken, waarvan 120 inmiddels zijn bewerkt, hetgeen per muziekwerk 2 tot 5 uur in beslag neemt. De bewerker/editor in de stichting hoeft zich nooit meer te vervelen. Hij klaagt niet, want ook dit bewerken is muziek, een spel met, voor en door gevoelens.

 

WAT BEZIELT DEZE STICHTING?

De Stichting Naammaak wil voorkomen dat een archief vol originele, mogelijk zelfs vernieuwende muziek op weg is naar de prullenbak zonder ooit te zijn gehoord. De stichting koestert de pretentie dat haar muziekbestand zowel door de ontstaanswijze als door de uiteindelijke muziekstukken een cultureel fenomeen vormt waarvoor aandacht gevraagd mag worden. Al dit muziekwerk komt voort uit puur speelplezier, heeft oorspronkelijk niet eens als doel publiek te vermaken, carrières te zoeken, bij te verdienen of te imponeren op concoursen, dan wel om als variant op wekelijks voetballen, bridgen, toneelspelen of paardrijden, de deelnemers ‘van de straat te houden’. De oorzaak van dit archief is de oorzaak van muziek en kunst in het algemeen: de homo ludens, de spelende mens; spel-en-der-wijs. De stichting beoogt het houden van exposities van voormelde muziekwerken, TOONstellingen, waarbij gaandeweg een herhaalbare vorm voor presentatie zal worden gezocht en waarbij het expliciete gebruik van licht en overige kunstzinnige uitingen mogelijk blijft.

CENTRUM VOOR EIGEN WIJS, VOLKSKUNST EN ONTSCHOLING 

De stichting beschouwt de rol van kennis en efficiëntie in onze samenleving met argwaan, aangezien een mens voor al wordt gestuurd en gevormd door emoties, driften, affecties en dat soort zaken. De omgang van mensen met elkaar is primair gebaseerd op uitwisseling van sympathie en afkeer, met zelfbehoud als richtlijn. De stichting bepleit het terugdringen van de rol van feitenkennis ten gunste van emoties die voor de uiteindelijke intelligentie van de mens als sociaal dier van elementair belang zijn. Al te gemakkelijk wordt vooruitgang gezocht in cognitieve systemen in een coherente omgeving, terwijl ons bestaan in essentie door de complexe dynamiek die tijdverloop teweeg brengt eerder lachwekkend en hilarisch willekeurig is. We veronderstellen dat vooruitgang een kenmerk is van de ‘onze tijd’ en zijn geobsedeerd door een streven naar efficiëntie hoewel een uiteindelijke doelstelling ontbreekt: wat moeten wij op deze planeet?

Gedachteloos wordt de ratio verheven tot reddingboot en methode bij uitstek om het menselijke bestaan te beschouwen en te verbeteren, waarnaast onze behoefte aan helden, religie, heroiek en dramatiek wordt bijgezet in het rariteitenkabinet van kunst, roes, spelletjesmakers en televisiedominees. Menselijke relaties hebben aan de oppervlakte veelal cognitieve zaken tot onderwerp en onze (doorgaans ambtelijke) taal is daar ook hoogstens geschikt voor. Datgene wat muziek en kunst met mensen kan doen, geeft aan dat onze beleving irrationeel is en een eigen aard heeft zodat wellicht ook het existentiële gelijk aan niemand is voorbehouden. Een dansend mens is vast niet ongelukkig en doet weinig verkeerd (spreken is zilver, voelen is goud). Zucht naar vervoering, verheffing is mogelijk een kenmerk van onze soort: ‘kill the ratio!’. In de muziek van deze stichting wordt veel gezongen maar gaat de aandacht ten eerste uit naar de klank van de zang. De betekenis van de woorden zijn een grappige bijzaak, er valt immers weinig te zeggen, hoogstens te spotten. Stel het denken maar wat uit ‘houmijdom!’ en aanvaardt dat ons bestaan, behoudens vrijwillig geloof, waarschijnlijk van nergens naar nergens gaat zodat niemand gelijk heeft en respect voor de ander (naastenliefde als eigen belang) de enige passende houding is. Wij, camera die de kolkende willoze omgeving naar believen aanvult en domineert met projecties om het resultaat schaamteloos als exclusieve waarheid te beschouwen. Doe eens wat meer aan zelfspot.

Omdat ons samenleven expliciet wordt geschoeid op een economische leest en marktwerking het geheel mag structureren, wordt ook de individuele burger een eenmansonderneming, die in een illusoire want jammerlijk door reclame geannexeerde, vrijheid, zijn bestaan aan zichzelf mag uitleggen. Alles wat kenmerkend is voor het doelloze potsierlijke wezen dat wij in essentie zijn, wordt miskend. Efficiëntie is hoogstens gewenst in ruimtevaart en fabriekshallen of andere praktische deelproblemen. Wij mogen en kunnen wellicht maar beter zelf betekenis zoeken voor dit ondermaanse verblijf, waarbij voor al emoties, affecties en de existentiële hilariek een rol spelen, aangezien kennis steeds struikelt over de vertroebelende gevolgen van het feit wij niet in een foto of een schilderij leven. Dat zou gemakkelijk zijn, maar het zijn vele films door elkaar met weinig echte herhaling. Álles fluctueert in de tijd, wijzelf niet in de laatste plaats. Muziek biedt daarbij, in de diepte van een tijd- en ruimteframe, met enige tijdsduur en wat ruimte als een onzichtbaar schilderdoek, een klankrijke, zinvolle beleving, vervoering, roes desnoods met onze hartslag als uitgangspunt. 

GEVOELT TELT   

Wie covers speelt, composities/ partituren uitvoert, loopt gebaande paden, schept niet zelf en beoogt een herhaling ook al is de ondervinding van die muziek ter plekke wederom uniek en momentaan. Een partituur op zichzelf is niet fijnzinniger dan Lego; zonder een bezielende uitvoerder is er niets. Zo’n uitvoerend muzikant streeft er doorgaans naar om de gevoelens die de componist voor ogen stonden opnieuw naar boven te halen. Muziek schept geen eigen, nieuwe gevoelens, maar roept deze op uit het bestaande arsenaal in de menselijke ziel, de geest of waar die gevoelens zich ook maar ophouden. 

Op deze website zeggen wij: niks metronoom, gevoel telt en verheft geluid door klank, toon en ritme tot muziek. Kijk maar eens door de microscoop naar die tellen. Erom heen zie je voetafdrukken, de hazenpaden van de meest vervoerende stukken, evenals rond de theoretisch juiste toonhoogte. Muziek, de kunst van het luisteren, is overgeleverd aan de ziel van de luisteraar (die ook vaak de bottleneck vormt). Het brandpunt van de handeling zit in de oren en niet in de vingers, de longen of de stembanden en zelfs de spelende muzikant is primair luisteraar. Muziek brengt vervoering, verplaatst onze zinnen naar wanen en kan per definitie waanzinnig worden genoemd. Dromen, liefde, muze, het lijkt dezelfde substantie.

SPEL-EN-DER-WIJS

In deze stichting gaat het om ‘instant’ composities: eerst doen, dan denken. Spel-en-der-wijs, ‘out of the bleu’, speelt iemand een riedel, geeft een maat of wat dan ook en een ander zet dit voort, sluit zich aan, voegt brutaal iets toe of geeft een rare draai aan de vaag verschijnende muzikale figuur. Er is een intentie maar er ligt ook veel open. Vaak ontstaat overeenstemming over waar we ons bevinden in ‘het landschap van gevoelens’, over waar wij ons wanen. Soms zijn we profaan, braaf, dan weer statig, voornaam of juist onaanzienlijk, liederlijk of alledaags. We turen door verrekijkers en loeren door microscopen, staan verdwaasd voor de spiegel, zijn en zien veel mensachtigs, voelen ons verknipt, ver weg in ‘outer space’ of gewoon in Spanje, Afrika, China of Chigaco. Op ons palet kun je de meeste menselijke gevoelens wel eens aantreffen. Het is vaak theatraal en nogal eens ‘over the top’, hilarisch, maar wees gerust, alles heeft een ‘power-off’ knop. 

Scheppend spelen, ‘musiceren zonder reproduceren’ (Esmé Soesman, Prov Zeeuwse Courant d.d. 2 juni 2003) ontstaat op het ‘eigen’ moment en wordt mede door dat spel gevormd. Opgewonden door de voorgaande secondes krijgt het volgende moment karakter en lading en als alles vrij is en uitsluitend muzikale aspecten, klank en snelheid, de collectieve discipline dicteren, ontstaan melodielijnen en instant scheppingen die op geen ander moment geboren kunnen worden. Wanneer dat moment dan bovendien gedeeld wordt door vier of vijf muzikanten die zo’n sensatie delen en deze naar andere ontwikkelingen sturen, dan is muziek, althans voor de deelnemers, op haar mooist. Het ijzer is heet en wordt gesmeed; het is witheet en gewillig als was in de handen van soms brutaal, dringend, prangend talent, dat impressies en expressies samenbrengt, dat ingevingen weet te combineren met de onvermijdelijke discipline van het moment. Dank-zij-elkaar ‘bereiken de golven het strand’. Eenheid in verscheidenheid; sollend met conventies, maar niet oeverloos.

‘Het’ is groter dan de deelnemers en ‘het’ overstijgt het feitelijk gegeven van gespannen snaren en vellen en wat printplaten. Dit vast te leggen met een stereorecorder (die maar zelden perfect is afgesteld) is onze enige kans. Afspraken over wendingen, eindes of wat dan ook zijn fataal voor de inspiratie; je mag niet te graag willen en de recorder moet voortdurend lopen. Het is een oerfout om met opnemen te wachten tot ‘het lekker gaat’. Het lijkt op het maken van een natuurfilm van jezelf: komen de zebra’s wel of niet drinken, paren de leeuwen op een plek die onze camera kan bereiken, waar blijft dat stomme hert nou!, die olifanten hebben zich verslapen! Een natuurfilm met jezelf als onderwerp, is dat dan hedonisme?

Onthouden en herhalen van stukken is voor ons onaantrekkelijk en gaat ten koste van al het nieuwe dat daardoor niet wordt gespeeld. Onze muziek is volledig afhankelijk van de uitvoering en valt daar zelfs mee samen, zoals van ‘echte muzikanten’ soms niet de compositie, het ontwerp, maar juist de uitvoering van toen-en-toen, daar-en daar met die-en-die technici in die-en-die-zaal gespeeld, de ultiem is. Jazz (maar ook andere) muziekstukken ontlenen hun bijzondere karakter vaak aan tijd- en plaatsgebonden, soms hilarische omstandigheden, vergissingen, stroomuitval, onderlinge spanningen, drank, publiek, vrouwen in het algemeen of in het bijzonder, haperende snaren of rieten, vergeten partijen, verloren partituren, blessures, ongesteldheden, enzovoort. 

Dit stuk tekst praat, hoop ik, niet alleen maar het gemis aan kennis van muziektheorie goed. Het doet dat wellicht mede, maar de muzikanten achter deze stichting zijn inmiddels gehecht aan wat aanvankelijk analfabetisme moest heten; zij spelen graag de eigen wijs, worstelend, ondergaand maar ook bovenkomend.

Zoals Rembrandt zijn Nachtwacht maar één keer heeft geschilderd en beeldende kunstenaars, anders dan uitvoerende muzikanten, nooit gestresst behoeven op te treden om, vervuld van plankenkoorts, jetlag of inspiratiegebrek aan de hand van genoteerde of in het hoofd gestampte sjablonen hun stukken opnieuw aan de kritische zintuigen van het publiek voor te houden, zo kan muziek stante pede en finaal een culminatiepunt vinden in de eerste geregistreerde uitvoering-die-tevens-de-schepping-is om nadien alleen nog maar te worden beluisterd; recorders vervormen niet. Alle intentie blijft bewaard: deemoed, hoogmoed, overmoed, oorlog en vrede, liefde, haat en angst, krankzinnigheid, hilariek, het blijft ‘ovenvers’, onaangetast en is eindeloos herhaalbaar; de computer is inmiddels het ideale conservenblik voor geluid. 

Doordat onze muzikanten maar zelden gezamenlijk optreden, missen ze de soms tastbare heroiek van applaus en dansende massa’s. Veel muzikanten/ entertainers zijn juist dáár op uit, maar dat gemis is gering ten opzichte van de bevrijding van reizen, eindeloze nachtelijke autoritten, slecht geluid, meer kosten dan baten en afwezig of chagrijnig publiek. Wij zijn gevrijwaard van de verplichting om te entertainen. Gelukkig maar, want we vliegen nogal eens ‘als een vogel tegen een ruit’. Het zij zo. Ook dat is maar een waan.

Ongeveer 30% van de aanvankelijk ruwe ‘speelsels’ (2 – 4 uur per zaterdag, de wekelijkse speeldag) komt in het archief, dat niet had kunnen ontstaan zijn wanneer dit beoogd repertoire was geweest. Het komt voort uit pretentieloos samenkomen en afwachten maar niet stilzitten, spelend luisteren en luisterend spelen. Luisteren naar andermans en eigen ingevingen, tasten-der-wijs, maar niet stuurloos, regeren door te gehoorzamen. Gewoonweg repeteren, er in stampen van afspraken kostte ons aanvankelijk mensenlevens aan tijd en inspiratie en heeft veel meer naargeestige vergaderuren dan muziekstukken opgeleverd. Wat ons nu wekelijks samenbrengt is de gerede kans dat we ‘de slang uit de mand spelen’. Hoe onaantrekkelijk ziet een partituur er uit, zo’n recept met in de marge een enkel woord over gevoelens. Maar wat zou je op papier zetten zo lang recorders en luidsprekers de klanken ‘Himmelhoch jauchzend, zum Tode betrübt’ kunnen weergeven en je je nadien dronken mag dansen op het afspelen van de beste uitvoering, die waardoor het stuk tot leven kwam.

Recorders hebben de uitvoerende, scheppende muzikanten verrijkt en bevrijd en hebben hen van ‘schilderdoek’ voorzien; creëeren, voelen, scheppen op het moment supreme, het brandpunt, de verheven en verheffende momenten waarop het ijzer heet, witheet is en waarop de ‘sky’ als ‘limit’ te benauwd lijkt. 

Hoe zou zo’n Nachtwacht er uit zien wanneer deze aan de hand van een door Rembrandt geschreven ‘bestek’, kwaststreek na kwaststreek, met allerlei aanvullende instructies ter zake de kleur en al die andere aspecten, telkens opnieuw moet worden opgezet, om alleen dàn eventjes zichtbaar te zijn? De Nachtwacht via lachspiegels? De essentie zou jammerlijk achterblijven in de bedoeling van die arme schilder, zelfs wanneer hooggeleerde professionals met hun dodelijke ernst een zo authentiek mogelijke uitvoering zouden geven. Een uitvoerend artiest is veelal virtuoos maar hij is voor al een soort draaiorgel; de gaatjeskaart stuurt de slaafse volgeling aan. 

Waar improviseren veelal het varieren op lang bestaande thema’s en axioma’s betekent, hebben de muzikanten achter de Stichting Naammaak een veel verdergaande vrijheid omdat er nimmer sprake is van ‘voorbedachte rade’. Daar komt een stuk uit de meest onverwachte hoeken. Vaak is bij het terugluisteren goed te horen wat ons op het moment bewoog; het is dezelfde reden als waarom het opnieuw voldoende intrigeert om te luisteren. Er is eenheid in verscheidenheid, zoals dat wel als voorwaarde voor scheppen wordt gezien. Het zijn geen geforceerde verzinsels, er was een tamelijk objectieve reden om te blijven spelen. Waar ‘dubbende’ muzikanten (spelen zelf alle partijen, drum, bas, nadien 1, 2 of 3 maal gitaar, konga, mondharp, ect.) uiteindelijk vaak ten onder gaan aan incestueuze eenvormigheid, zijn hier meerdere zielen, karakters in hetzelfde withete moment bijeen. Er is onderscheidende overeenstemming, die als het leven zelf zelden perfect is maar wel bijzonder, genoeglijk en bevredigend. In zo’n substantiele overeenstemming zit enige garantie tegen al te gekke dwalingen. Als een van de leden al te onbedaarlijk gaat luchtfietsen, sterft het stuk en keert de stilte, die weer ‘beschilderd’, althans bekliederd kan worden, terug.

BLABLATALK

Een ‘kind van de rekening’ bij al het voorgaande is de onderontwikkelde samenhang van de tekst. Soms weet de zanger op het laatste moment nog wel eens wat betekenis in de woordenstroom te frommelen, maar een ‘lopende band’ wacht niet op leuke gedichtjes. Veel verder dan associaties komt het veelal niet. Een enkele keer loopt het als een trein, ‘shit happens’ maar ‘luck too’. Bij de zang gaat de aandacht primair uit naar klank en toon. De toon is relevant als van elk instrument, maar daarbij komt dat zang zich opdringt en zijn natuurlijke plaats zoekt ‘voor in de kijkdoos’ van het stereobeeld, waardoor overige partijen tot begeleiding worden. Die centrale plaats dwingt niet per se tot het gebruik van zinnige bewoordingen; desnoods zingt een vogel. De zang is en blijft, ook zonder tekst, het meest ‘sprekende’, het gevoeligste onderdeel van een lied, als de stamper van een bloem (brrrrrr, hoor ik Guido Gezelle?, wegwezen!!!). Hoe viriel een saxofoon ook kan klinken, zang kan nog altijd nog intiemer, verhevener of dwazer klinken. Zelfs woordeloze c.q. betekenisarme zang. Hoe zou dat anders moeten met al die prachtige stukken in talen die wij niet zelf beheersen?

Zang trekt aandacht, is van nature dramatisch en is menszelf en menseigen; de ik-figuur in meeste liederen, identifcatiepunt bij uitstek. Als zodanig stelt de Naammaakmuziek niet teleur. Er is meer dan eens zang in de stukken en deze vervult de rol die in muzische zin vereist is, maar er wordt niet tegelijkertijd een geslaagd ‘gedichtje opgezegd’. Deze infantiliteit hebben wij onszelf al lang vergeven; leven doe je bij voorkeur met een knipoog naar jezelf. 

Veel songs (tekstliederen) willen primair iets zeggen, de tekst is dan waar het om gaat, waar het lied door begon en dat wordt aantrekkelijk gemaakt door deze op een melodie te zetten. Op dat punt grossiert dit archief in kwinkslagen en babytaal (blablatalk). De zang is eerder toegesneden op klank, op het oproepen van gevoel en is niet zo zeer gericht op cognitieve kanten. Hoor het verschil tussen bijvoorbeeld ‘tales’ (zeg het hardop) en ‘underground’, ‘ fiets’ en ‘slootkant’; klanken die sterk verschillende gevoelens oproepen ‘achterbaks’ en ‘lieslaarzen’, ‘stomp’ en ‘tingeltangel’, ik noem maar iets. Wie zijn ogen sluit ziet alles wat hij wil.

De leden van NoNo Ego zijn respectievelijk Colling Clement (basgitaar), Pierre Pourquie (drummer), Willem van Maanen (keyboard) en Ger Lagerweij (gitaar en zang).