De eerste persoon enkelvoud , taal, pathos, logos, muziek. Geraakt en bespeeld worden. Metaforen.

De eerste persoon, ik-heid, taal, pathos, logos, muziek. Geraakt en bespeeld worden. Metaforen.

Waarschuwing:
Metaforen zijn als bouwsteigers nuttig bij het oprichten van een denkbeeld maar laat ze direct na gebruik los. Ze worden al gauw als de bananenschil onder de voet van het verstaan en gaan als kapende bouwsteigers met het bedoelde op de loop. Zulk hulpmateriaal moet snel aan de kant zoals partituren slechts de aanzet en niet de muziek zelf vormen. Metaforen neigen ertoe zich te handhaven in de voortgang van gesprekken en gedachten die daardoor al  snel ‘uit de rails’ lopen. Pas op met metaforen wil ik maar zeggen. Taalgebruik, ons denken, is ervan doordrenkt.

Besef ook dat denken, leven, be-leven momentaan is, (pad)gebonden aan een eigen tijdstip en plaats met een eigen horizon/uitzicht (metafoor !). Geen moment is hetzelfde ook niet wanneer alle bestanddelen identiek lijken. Over momentaniteit kakel ik hier uitgebreider. En wat te denken van biometeorologie ? Een onderdeel van de wetenschap dat zich bezig houdt met veranderingen in het lichaam onder invloed van het weer. Besef gestuurd door luchtdruk ? Nog weer een factor die onze perceptie beinvloedt.

Ikheid.

In feite houd ik hier dezelfde zoektocht als de techreuzen en andere machtzoekers die met onbeschaamd digitaal geweld en gegluur uiteindelijk het hoogst persoonlijke van ieder van ons willen bloot- en vastleggen met als doel beheersing, machtsvorming en geldelijk gewin en tenslotte dominantie for the sake of it. Dat laatste geldt niet voor mij. Ik doe dat als hobbyist gedreven door decennialang misnoegen over misverstanden die ik zie waar het ons eigen functioneren betreft. Big Tech is tot zo’n beetje dezelfde conclusie gekomen als ik namelijk dat begrip van de mens niet anders kan dan door kennisname van de persoonlijkste aspecten; een denkend voelend zenuwstelsel, verankerd in een lichaam vol noden. Hoe gepersonaliseerder de kennis, hoe beter het doorzien van de mens. Echter volsta ik ermee een alom geldende blauwdruk te onwikkelen waar Bigtech intensief en onbeschoft surveillerend inbreekt bij vrijwel iedereen die online verschijnt om per persoon een dossier aan te leggen. Een hoop brutaal digitaal geweld met een uitkomst die lijkt op de mijne en die de mens juister verbeeldt dan de sociologische benadering met grote getallen, gemiddelden, de droneview en het misgrijpende begrip ‘individu’ als grondslag. Het is een vergissing om te menen dat we door het werken met gemiddelden en grote getallen (spreadsheetrealiteit) mensen afdoende in beeld krijgen. Mijn eerstepersoons-betoog verankert de mens in z’n lichaam, met eigen Kopfkino gebonden aan tijd en plaats. Zo’n mensmodel is universeel waarna ik in “aan mijzelf ken ik de ander” (menu) vast stel dat de mens door de eeuwen heen zo’n beetje dezelfde gebleven is zodat je ze allemaal verregaand kent en ze in beginsel over één kam mag scheren.  Die uniforrmering is vergelijkbaar met hoe de mensen door de ogen van tandartsen onderling niet wezenlijk verschillen.

De term “individualisme” vermijd ik welbewust omdat daarmee náár de mens wordt gekeken en ik wil nou juist dat er gekeken wordt vanúít die mens met inachtneming van hetgeen die mens beweegt. Daar zie ik vrijwel identieke ‘mechanismen’ hoogst eigen wanen ontwikkelen waarin van een afstand patronen in gezien kunnen worden. Ik schets een mensmodel dat zal uitkomen bij de mens als een beseffend neuraal stelsel, een verknoping van lichaam en geest met de jaren aangevuld door eigenheden, patronen, trauma’s, strevingen, gewoonten, frustraties en meer op een zeker moment. Een besef dat voor al in de sleutel staat van zelfhandhaving. Het is zaak om die neiging in het oog te houden. De gevestigde sociologische beschouwing die van buitenaf naar mens en mensheid kijkt, is te snel een opmaat naar evengenoemde speadsheetrealiteit. Theoretisch natuurkundige Carlo Rovelli schoeit de moderne wetenschap op relaties in plaats van een ultieme rotsvaste werkelijkheid en dat geeft ruimte voor mijn wanen van daarnet maar hij maakt niet de stap naar de onstaansgrond, de meldkamers van de deelnemers aan die relaties, de eerstepersoon etnkelvoud. Die eerste persoon zou de verplichte eenheid op de rolmaat van de humaniora moeten worden en dat dan bovendien gebonden aan een moment. Ik schreef er, misschien wat al te enthousiast, dit wel eens over:

Zie het zo : de impulsenwolk die jou vormt, het geheel van zenuwstelsel, zintuigen, hersens, bestaat in en wordt aangestuurd door tast-, geluids-, licht- en andere signalen van buitenaf en van binnenuit. Geuren, herinneringen, noden, driften, affecties voeden ons sensorium waar bioneurale micro-elektra en nogal wat chemie uiteindelijk ieders besef vormt. Daarin worden almaar massa’s prikkels uit heden, verleden en ook uit de veronderstelde toekomst en vormt zo een gemoedstoestand, een finaal besef. Die “seat of sensation” is geen abstractie maar een wolkje bioneurale alertheid. De grondslag voor alle geesteswetenschappen dient te liggen in al die eerste persoonspercepties en niet gemakkelijk vanuit ‘helicopters’ zoals in de sociologische beschouwing (“Fransen zijn woedend”). Wie de eerstepersoon in zijn momentaanheid, gebonden aan een zeker tijdstip in zijn driversseat verlaat is niet meer in staat om geldig over de mens te redeneren. “De wijk Feyenoord” is een geografische entiteit maar kan nooit iets menselijks representeren, vreugde voelen, boos zijn. De mens is zo niet globaal te bespreken. Wat met suikerbieten, rabarber of Renaults Twingo straffeloos kan gebeuren, maakt het redeneren over de mens ongeldig. Er zal telkens ruimte moeten zijn om ieder mens apart te bezien. Die ‘seat of sensation’ is de primaire smederij. Verwant hieraan lijkt de VR-show van Spinvis en Zn: ‘8 miljard ikken’. Een wat theatrale verwoording van die eerstepersoon zie je terug in ” Ik ben een god in het diepst van mijn gedachten…..” Zoals iemand ooit prevelde. 

Alleen die eerstepersoon tegen een achtergrond van tijd en plaats is voor kennis van de mens een ordelijk uitgangspunt voor nomenclatuur. Alle andere focus en woordgebruik vanuit clubs, groepen, naties, districten, continenten, tijdperken, vormen abstracties waarop slechts metaforisch de beleving en perceptie van de eerstepersoon te betrekken valt maar die overstap ontgaat de meeste beschouwers, ook die in de wetenschap. Zorgvuldig taalgebruik door bewustheid van die metaforensprong is hier geboden. Zo kan ik een artikel in mijn dagblad waarin een denker wordt geciteerd met de tekst “Frankrijk is depressief” niet serieus nemen wegens de nauwelijks merkbare metaforensprong daarin aangezien depressiviteit geen andere dan een eigenschap van een enkel mens kan zijn. Het is een simplificatie, een misplaatste vlucht naar gemakzuchtige Kopfkino maar ook naar onjuiste beeldvorming. De taalkundige Gerard Steen waarschuwde hier veelvuldig voor.  Wat gewenst is voor wie romans en songteksten schrijft of voor de amusementsindustrie werkt, kan daarbuiten gevaarlijk misleiden. Voilá ook de grondslag van propaganda, voor hitsersretoriek. Een waan die verbindt en daardoor en passant en schijnbaar aan juistheid wint. De zucht op te gaan in een kudde doet de rest. 

Maak een reis door je lijf, beleef een knie, een bil, een pink, je nekhaar, denk aan je oma, aan een treinreis, aan je tiende verjaardag, een ijsje, je beste vriendin. Of aan afwassen of een handstand. Yoga en Tai-chi hebben het psychosomatisch schakelvlak in de mens als hun focus en in minder bewuste mate doet gymnastiek iets dergelijks en voegt sport daar nog de verbinding door competitie als doelstelling aan toe zoals in ballet het lichaam een greep doet naar iets esthetisch of existentieels. Wie je bent ligt vast in dat sensorium, in die ik-wolk. Hersenen zitten door heel je lijf. Dankzij het zenuwstelsel hebben de hersens een pink en de pink hersens en zo voort. Die eerstepersoon is ook de favoriete positie, de maatgevende focus, de ‘drivers seat’ van waaruit romans, films, soaps, games, commercials, supermaktlayouts,  tv á la John de Mol worden opgezet. Allemaal gebruiken ze het uitzicht vanuit die eerstepersoon als het venster waarop gestuurd wordt. Hier ergens is ook de verklaring van het placebo-effect te vinden. Hoe wanen, noem het wat vriendelijker denkbeelden ons mee nemen ieders ego als echo-put. Een waarmaak-mechaniek. Iemand noemde het ‘de intentionaliteit van onze perceptie’. En wat zou het fijn zijn wanneer openbaar bestuur nog eens zover komt om waarlijk en blijvend op aller eerstepersoon te sturen zonder de gemakzucht van daarnet. Dan wordt, hoop ik, vanzelf afscheid genomen van ideologieën en politieke partijen (menu: Façadisme, vrijheid….). Het geneuzel over verschilletjes in Kopfkino zal plaats moeten maken voor gezamenlijke zorg voor de bewoonbaarheid van de aarde zodat we het verblijf van onze soort op deze planeet nog wat verlengen. 

Over de eenheid van lichaam en geest gesproken, dit las ik ergens:

“Geur : olfactorische receptoren (ongeveer 400 verschillende) op het membraam van neuronen in de neus die rechtsreeks zijn aangeloten op de hersenen. Veel van de werking is nog onduidelijk maar er is een reukgen OR7D4 (waarvan weer meerdere varianten bestaan) dat maar één molecuul kan opvangen : androstenon en steroïde waarvan het effect bij mensen niet vast staat (komt in zweet voor) maar bij varkens (zit in hun speeksel) is het de belangrijkste manier om sexueel geactiveerd te worden. Niet ieder mens kent geur op dezelfde wijze.”

Niets is ons vertrouwder dan de perceptie vanuit de enkeling die ieder is. Om te verleiden, te engageren wordt daar het gemakkelijkst bij aangeknoopt en dat wordt al gauw manipuleren. De populistentruc bij uitstek. Wie een film, opera of toneel bekijkt neemt doorgaans via identificatie met één van de acteurs, vaak de hoofdrolspeler, deel. Even achter een ander eerstepersoonsdashboard, in een ‘geleende’ driversseat, als in een simulator. Jezelf voor even verplaatsen. Zoiets behaagt ons muzische deel, waar logica de tweede viool speelt, if any. Voor communicatieprofessionals is dit gesneden koek. En onderschat romanschrijvers niet. In de autoindustrie is het dienen en inpakken vanuit die eerstepersoon al lang de orde van de dag.  De beleving van de eerstepersoon is daar het alfa en omega. In het openbaar bestuur wil die benadering maar niet  doordringen behoudens tijdens verkiezingen en dan nog slechts als de misleidende metafoor van daarnet. Die enkeling, hoe lastig ook, dient de maatgevende focus te zijn. Inclusiviteit is op geen andere wijze te verwerkelijken. En tegelijk geldt : wie met ieders ‘drivers seat’ in gedachte redeneert, weet ons het eerst aan te spreken. De John de Mol-aanpak in politiek en bestuur. 

Klank, muziek, we blijven regendansers, gelovigen.

Zo heeft het effect van klank (semiotiek) soms evenveel betekenis als de gevestigde inhoud van een woord (semantiek), bijna zoals geur ons direct “aanvliegt” met voorbij gaan aan onze cognitie. Dat verschaft het lichaam een sensorische autonomie zich niet beperkt tot kietelen en zien-geeuwen (spiegelneuronenwerking) alleen. Voor de ‘bewoner’, de ‘ik’, van zo’n wolk vol besef, is het zaak de eigen gebruiksaanwijzing vroeg of laat te ontwaren. Aan het eind van de dag is de mens verre van rationeel. De miljarden gesprekken die dagelijks wereldwijd gevoerd worden draaien maar ten dele om de semantiek. De uitwisseling en afwisseling van klanken is daarbij van veel groter belang dan vaak gedacht wordt. Klank en gebaren zijn niet alleen aspecten voor op het toneel. Zij beroeren en tekenen ons onophoudelijk in het dagelijks bestaan en vrijwel ieder mens is verregaand bedreven in het ‘lezen’, noem het aanvoelen van zulke multizintuigelijke signalen. De mens is wel “the symbolic species’ genoemd maar ons lichaamsintellect is nogal wat breder dan de semantiek en haar symbolenstelsel. Gevoelig als we zijn voor klank en ritme huist in ieder van ons een muzikant, een klankkast en klankduider tegelijk.

Kijk naar de drukte en bewegelijkheid van kinderen. Zij razen de hele dag door; druk bezig om zich het lichaam, hún lichaam eigen te maken. Lichaam en geest te verknopen. Volgens mij hebben we daar een heel leven voor en kan ouder worden, cq langer leven door een samengaan van aanpassen en inzicht-verwerven als een weldaad uitpakken. Welbevinden is dan evengoed lichamelijk geluk als mentaal evenwicht. Lekker je eigen lijf almaar beter bewonen. Nu eens moet de ondergrond, de achtergrond of de perceptie (wat je ziet, is hoe je kijkt), dan weer moet de belichting worden aangepast. Maar lichaam en geest zijn niet los verkrijgbaar. Wie ze als geheel ervaart en beschouwt heeft ook zo maar geen antwoord maar blijft met de minst onjuiste vragen achter. Een terrein waar dit goed begrepen en zo’n 85 miljoen keer per jaar wordt toegepast is de autoindustrie. Daar moet men de klant telkens weer uit z’n vorige auto lokken in een nieuwe. Dat spel heet ook wel ” kruip in de huid van….”. Bureaucratiën kunnen daar nog wat leren. Ook succes in de horeca staat of valt met inachtnemen van ieders eerstepersoon.

En niets staat stil. Onze beleving bestaat (opgepast: metafoor !) in vele films tegelijk en is zeker geen foto, still of plattegrond. De humane werkelijkheid is alleen in het nú aanraakbaar en al de rest is herinnering of planning, communicatie, verwijzing, kortom theorie, aangewezen op denkbeeldend en taal. Maar ook voor het actuele geldt dat onze beschouwing daarvan niet een slaafse afdruk is van een rotsvaste input. Ook rechtstreekse waarneming valt in handen van ieders perceptie-complex, voortkomend uit hoop, trauma, de zucht tot zelfhandhaving en al dat.

Taal.

Taal is niet alleen maar een woordenboek in actie. Taal komt ook met fijnzinnige en veelzeggende expressie zoals die besloten ligt in het ritme, toon en eventueel lichaamstaal; verleidend, afstotend, zakelijk, jammerend, bozig, flemend, dreigend en dat draagt verregaand bij aan wat de afzender overbrengt. In de evolutie was de expressieve, muzikale functie van menselijk geluid er vermoedelijker eerder dan dat woorden de glasheldere verwijzers naar een coherent betekenisapparaat waren. Ook geschreven taal kan toon en bijkomende expressie met zich meebrengen met een grote winst aan zeggingskracht maar dat vraagt een vaardige woordensmit naast een lezer met goede antennes. Zintuigen verschaffen nogal wat meer input dan alleen de semantische codes waar wij als ‘symbolic species’ zo op gericht zijn. Taal is een fraai en deels logisch symbolenstelsel maar daarnaast vindt zoveel meer infouitwisseling tussen mensen plaats. In muziek spreekt dat nog wat sterker maar gesproken en geschreven taal rusten beide ook al op muzikale gronden met een grote winst aan zeggingskracht hetgeen zó ver kan gaan dat luisteraars ‘door de bocht gaan’ eenvoudig doordat niet alleen de woorden maar alle andere overdrachtelijke middelen inclusief de definitie van de situatie overrompelend ‘bezit’ nemen van het adressaat. Ik denk aan Gregoriaanse zang maar evengoed aan een toespraak van Adolf Hitler of Martin Luther King. Taal, geschreven taal voorop, wordt ook gemakkelijk reductie, expressiearmoede en meerduidigheid. En dan is er de taal afhankelijk van de situatie: thuis in het gezin, op straat en in winkels en de taal van de staat, de bureaucratie en de wet

Taal thuis.                 De woonkamer, het eersteperoons-nest bij uitstek. Een broedplaats met soms eigen (ook wel onaangename) geuren. De buitenwereld ver weg. Taal binnen “de voordeur” van ieders woning: warm, slordig, slaperig met talloze eigen termen. Een smeltbad van eigen aardigheden en nauwelijks protocol. Je kat, je kind, je partner, je ongepoetste eigenheid, het hol waar jouw gewoontes en tics maatgevend zijn en waar je bestaan geen rechtvaardiging vraagt. Hier wordt niet naar je ID gevraagd. Hier kun je je soeverein wanen. Met je huishouden als hofhouding. Je bent hier het alfa en omega, gekend, zonder meer relevant en tegelijk raakbaar, kwetsbaar doordat ook de hyperpersoonlijke zwak-zinnigheden zo open en bloot liggen. Binnen de voordeur (die ik elders als belangrijke schutsluis om schrijf, zie menu) is ieder nog ‘afgeschminkt’. De ‘look’ is vooral voor buiten. Kledingkeuze reken ik er toe evenals make-up in de ruime zin zodat ook auto’s en woninginrichting meedoen. Hier is ieder significant en kan smaak de doorslag geven. Hier zijn we allen persona grata. Per defintie. Er wordt warmbloedige taal gesproken in een eigen huisstijl waarin feiten met hun logica al gauw bijzaak worden in de omgang met elkaar. Spreektaal. In deze omgeving waarin wij in pyama kunnen gaan is een half woord genoeg en spreken ogen en het wederlerig hummen boekdelen in een hoogst eigen nomenclatuur. Hier zijn éérst mensen en dán wetten. (het eigen dialect is de voertaal). Iedereen mág er zijn. Binnen de voordeur,de schutsluis. die praktisch gesproken doorgaans wordt gevormd door het halletje van de woning. Hier ook worden winden en boeren gelaten en geldt het verbod van huisvredebreuk. De wereld binnen de voordeur is waar wij onszelf mogen vieren. De eerste persoon enkelvoud temidden van zijn intimi. En ja, thuissituaties kunnen sterk verschillen. Er is ook vaak geremdheid, opgekropte gevoelens, frustraties en wat te denken van sexuele ontsporingen waarvan maar een pieppklein deel ooit naar buiten komt ? Bijzonder ook zijn de lieden die de make-up ook in het zelfbeeld opnemen en zich pas compleet voelen na 3 kwartier ‘badkamer en spiegel’. Daar begint wat ik elder ‘façadisme’ noem. Zouden er mensen zijn die thuis met niemand om zich heen niettemin gêne voelen als hen een windje ontsnapt? Ik ben niet gauw verbaasd over mensen in eigen hol en wat daar zoal gedacht en bedreven wordt. Onze lieve heer heeft immers rare kostgangers maar thuis mag iedereen er zijn.

Het publieke domein met onpersoonlijke, ordenende taal. Denoterend. Logica en efficiëntie zijn daar troef. De toon gedresseerd, functioneel, ondubbelzinnig. Eérst wetten, dán mensen. Institutioneel. Het publieke domein waar neutraliteit ruimte voor allen moet bieden. Hier, buiten de voordeur heerst in de eerste plaats neutraliteit met geweldloosheid als maatgevend doel. Hier doet niemand er in het bijzonder toe. TL-licht, alom camera’s desnoods. Vrede en veiligheid zijn de primaire staatsbesognes. 

Taal  tussen vrienden en vriendinnen; tussen pubers wegens de stadia, let op het steotype toontje van babys, kleuters, pubers, tieners met hun modegvoeligheid alles nauwelijks anders dan in de dierenwereld.

De verbindende taal en het intieme gedrag van thuis ontmoet in de openbaarheid een geheel andere taaltoepassing, de staatstaal gevormd vanuit de bestuurders, de hoeders, de priesters, de politiek. Hetzelfde lego, hetzelfde symbolen- en geluidenpakket met een volstrekt ander doel. Kun je er binnen de voordeur lustig op lospraten en spelen met betekenis, daarbuiten ligt dat anders. in het openbare domein bepaalt de ander wat je zegt met je woorden. Desnoods doet een rechter dat voor je. Daar wordt betekenis aan je toegerekend en is jouw wil bijzaak. In de rechtsvinding is de wil als decisieve al lang geleden verlaten. (Jan van Dunné leerde ons : “waar een wil is, moet die weg”). Framen, spinnen, manipuleren. Buiten de schutsluis van het persoonlijk domein moet je op je woorden passen. Hier ben je niet zo maar persona grata. Het inzicht in wat hier gaande is, de communicatietechniek genereert meer macht, meer grip dan welke militaire eenheid ook. Sluipenderwijs. Als een stealthtechniek sturend op de schaduwwerking van woorden. De kernfusie die woordgebruik teweeg brengt maakt en breekt samenlevingen. Denk aan de greep naar de macht door Mozes met zijn sten tafelen. Goed verzonnen toch. Hij redde zijn volk.

Maar sinds die mozestruc is het hek van de dam en hebben almaar meer machtshebbers religie ontdekt en aangewend als het ideale gereedschap om individuen te besturen via de politieagent die religie onze eerste persoon enkelvoud inbouwt. De brutaalsten voegden kerk en staat samen en iemand (Lodewijk XIV ?) zei zelfs : L’état cést moi !” In wat dezer dagen gepresenteerd en bedoeld wordt als representatieve democratie is naar de letter, de denotatie, het knechten, de horigheid afgeschaft maar in de connotatie, de schaduw, de implicaties van regelgeving, onder het tapijt en in de mouwen van bestuurders krioelen de garanties voor belangenbehartiging van pressiegroepen. Hier tiert de corporatie welig en daar faalt de overheid ernstig. Voor wie niet wakker is, wordt taal en tekst al spoedig een fopspeen of zelfs een boobytrap. Woorden bespelen het snaarinstrument mens van velerlei kanten. Op straat is het niet pluis. Let op je woorden. Ik schrijf daarover in ‘vrijheid als verpakking’.

(Kunst brengt wel eens connoterende taal in het neutrale domein en dan mag die kunstenaar zijn subjectiviteit in den brede laten gelden, zoals in kledingmode. Dan komen kleuren en geuren uit een toonaangevend personalicum de neutraliteit binnen. Romantiek en Nationalisme smeedden zo hordes aaneen. Religie wordt hier ook al snel geannexeerd door machtzoekers die het gemunt hebben op volgzaamheid van gelovigen. Maar geloof (niet de bestudering ervan) is muzisch en niet logisch van aard)

2. Het woord als toverbal en klankbouwsel, verbindend en onderscheidend, notatie, connotatie.

Kabaalmaker is de mens vanaf de geboorte en wie zojuist geboren niet krijst, jankt of kermt, krijgt een klap op zijn kont om op gang te komen. Zo’n baby wordt dan zonodig ‘gestart’, aangeduwd, alleeh !, hortsik !! Geen idee of de vroege mens eerst loeide, blaatte of balkte maar uiteindelijk kwamen de woorden, de meerduidigheden en ook de vraag of  diens logica los kan komen van Kopfkino. 

Taal, in woorden en zinnen is drager van betekenis die mede wordt gevormd door toon, dictie, decorum, ondertoon, intensies, bedoelde en bijkomstige effecten zoals dat in poëzie en zang ten volle naar voren komt. Intonatie speelt een eigen rol in het gesproken woord maar ook voor wie leest is de klank van een woord en de melodie van een zin van belang. De (stille) lezer kan zich klank verbeelden. Zo meen ik. Geschreven tekst is ook tonale partituur, verklanking. En in con-versaties draagt de oogopslag naast minmale toonwendingen en overige lichaamsvibraties het nodige bij aan de finale boodschap. Mime en ballet zijn aan de woorden voorbij en in opera is de plot vaak niet meer dan een platitude. Op het klinkend en ontvangend drumstel ‘mens’ slaan velerlei trillingen in en ook worden velerlei frequenties uitgezonden. Zo beschouwd is de mens vooral zijn eigen kippevel, een kolkende kermis van neurale activiteit met een naam en een burgerservicenummer. Een klankkast vol verbeelding en overlevingsdrift.

Aan frequentiecomplexen kunnen betekenisladingen worden toegekend. Associaties spelen hier een rol en muzikaliteit als betekenisbrenger is nooit ver weg. Het woordenboek is poortwachter maar is uiteindelijk zo lijdzaam als het kadaster. Er zijn eerst mensen dán regels zo meen ik. Zingeving is niet alleen noodzaak om vervullend te leven maar de mens legt desnoods betekenis op aan blanco fenomenen en is aldus vaak meer projector dan camera. Ordeloze blakte is de verschijningsvorm van de dood en leven onderscheidt zich daarvan door noodzakelijke tendensieusiteit. Het leven is de uitzondering op de dood die default is. Aldus is ook de aarde een levend wezen, dat in enkele honderden miljoenen jaren de huid binnenste buiten draait, aldus de geoloog Peter Westbroek.

Taal in verhalen heeft een verborgen dirigent in de stille regie van de auteur. Die mag ongemerkt de juiste wanen/denkbeelden oproepen en overtuigen door consistentie en coherentie. Menselijk besef regeren door haar werking te gehoorzamen. Geloofwaardigheid vestigen door vragen vóór te zijn. Het verhaal als vanzelfsprekend op te leggen aan de lezer/ toehoorder zoals in dat alle kunst en veel breder in alle menselijke ervaring zijn beloop heeft. En in kunst heerst uiterste vrijheid om tot een eigen consistentie en coherentie te komen. Om desnoods tot verassing van de kunstenaar zelf betekenis te ontwikkelen. Zingeving als spel, als voortgaande oefening. De manifestatie schept zijn eigen urgentie, de eigen reden tot zijn. Muze als het hoogst haalbare. Van zooi tot vlijmscherpe boodschappen. Tussen alles en niets. (Zoals kunst en beroemdheid (en by the way, goden) voortkomen uit de behoefte van het publiek en niet primair uit de eminentie van de beroemdheden in kwestie.) Het spel van ongehoord- en ongehoorzaamheid. Tot aan of iets over de grenzen van het bevattelijke. Het gebied ver van ons bed. Hoewel. Wie zijn ogen sluit ziet alles wat hij wil.

Denk aan wachtkamergesprekken of wat aan de orde komt bij treinvertraging of in werkkeet van uitgeregende hoveniers en bouwvakkers. Betekenis is situatie- en interessegebonden en na verloop van zeg 300 jaar hebben woorden een gewijzigde lading. Het getij is dan verlopen. Zo is dialect onafgebroken in handen van vindingrijke taalsmeden in fijnzinnige subculterele processen. Een smeltkroes van persoonlijkheden en gemeenschappen waarvan de regels niet eventjes gedownload kunnen worden. En ondertussen wisselt álles. Woorden- en wettenboeken ontstaan in het kielzog van de driftende mens. Er zijn eerst mensen en dán regels zo word ik niet moe te betogen. Er is ook veel behoefte aan wiskunde en religie in het kolkend bestaan. Er klinkt een schreeuw om duidelijkheid over de aarde. Wie er in slaagt iets te geloven, komt wat gemakkelijker tot rust, zo lijkt het. Anomie is de levende dood.

Communicatie als industrie. De handel in connotatie, in schaduw.

Persoonlijke verbanden. Contacttaal. Verzustering.
Taal, woordgebruik vindt plaats binnen sferen, in subculturele wolken en is gekaderd door voorspel, omgeving en doel en meer van dat. Zoals in de vooropgezetheid van een vriendenkring, die naar elkaar toe praat, con-verseert, waar men eigen standpunten stilletjes het zwijgen oplegt omwille van cohesie en innigheid en waar logica het nogal eens moet ontgelden. Het gaat hier over ont-moeten, con-verseren, overeen stemmen van persoonlijkheden, ontremmen, emoties zoeken en delen. Liederlijk samen komen. Dans, muziek en meer buitentalige omgang zijn dan niet ver weg. De mens op zoek naar deelbare warmte, naar innigheid en verbinding. Er is heel veel meer communicatie dan alleen door taal. Intieme taal is veelal gesproken taal en is voorzien van toon, van een zindering die verloopt via de gevoelswaarde van de woorden en hun klank. Onmisbare bijwerkingen. Zo beleven we de ondertoon, de connotatie, het aura van een woord. Taal als een zalf, als drager van emoties. Le mot passionele. Woorden ook als disposables, eenvoudig vervangbaar en tijd en plaats gebonden. Niet de woorden maar hun verbindende uitwerking, warmte, compassie, naastenliefde sui generis vormt de essentie, de aanleiding tot woordgebruik. Convergerende kracht. Al dan niet met een veelzeggende blik in het oog, het gelaat en daaromheen, de make up, de kleding, ambiance. Alles draagt bij aan het vuur ‘ik’. ‘Wij’ eeuwig op de vlucht voor eenzaamheid. Met een doel binnen de relatie, door de relatie. Verbroedering. De strijd tegen eenzaamheid is vol-continu en houdt aan van de wieg tot het graf. Dat doel heiligt alle middelen. Een revolutie die slaagt is wettig.

Neutrale verbanden. Contracttaal.

Bureaucratie is een nauwgezet woordenbouwwerk dat gisteren hetzelfde moet doen als morgen. Instituties bedienen zich daartoe van de denotatie van het woord. Alles is gericht op eenduidigheid, ordening en het reguleren van het grote en kleine samenleven. Met neutraliteit als troef en vrede en veiligheid als allerhoogste en allereerste noodzaak. Bureaucratie behoeft vaste definities en onpersoonlijke samenhang en ‘zonder aanzien des persoons’ is zelfs een voorwaarde voor de juiste werking. Met het geschreven woord als bouwsteen en coherentie als voorwaarde. Nu de wereldgemeenschap in en door taal bestaat is eenduidig woordgebruik van vitaal belang om tot ordening te komen. Vermoedelijk gaat de mensheid ten lange leste die kant wel op maar vooralsnog is bloed de inkt van de macht en zijn alle landsgrenzen in bloedstromen geschreven.

Taalgevaar.

Beide taalsferen, privé-persoonlijk en publiek-neutraal-openbaar, gebruiken dezelfde woordenschat, dezelfde vocabulaire en die speelruimte vormt de niche van communicatietechniek. Zo vestigt connotatie, gevoelswaarde van woorden zich, net als geursensaties sneller en onbewuster in de menselijke ondervinding. Het glipt langs of door de prefrontale cortex en vormt een machtsmiddel om mensen te beinvloeden. Dat kan ten goede of ten kwade worden aangewend en wie samenlevingen een tijdlang beschouwt kan vaststellen dat de inzichten in en de bewustheid van deze mogelijkheden met taal samen met lobbyen op alle denkbare bestuurlijke niveaus de kiezer het nakijken geeft waar het gaat om de ware beslissingsmacht. Wereldwijd zijn spinspecialisten kind aan huis bij bestuurders en machthebbers en Machiavelli is bij dit soort consultants nooit ver weg. De implementatie van inzichten uit communicatiewetenschap vinden doorgaans heimelijk plaats. Wie dit spel beheerst heeft de wereld aan zijn voeten. Dit taalspel is evenals religie een gereedschap om achter een façade van democratie volkeren te mennen. Robotiseringstooltjes uit de gereedschapskist van de communicatietechniek knechten mensen zowel in hun hoedanigheid van burger als die van consument. Veel publicisten produceren sinds enkele decennia alarmistische berichten over het uit handen geven van de macht aan internet en ict-bedrijven maar ook zonder dat beetje techniek was de burger/kiezer al lang daarvoor buitenspel gezet. Internet brengt slechts meer van hetzelfde.

Nog een keer.
Kan een land boos zijn ? Kan een provincie, een voetbalclub, de oeigoeren of een provincie schrikken ? Of gemeen zijn ? Verontwaardigd ? Bang ? Nee zoiets is metaforische kolder maar niettemin leunt taalgebruik in politiek, journalistiek en commercie op de connotaties van die woorden en op de veronderstelling dat groepen mensen eigenschappen hebben die slechts in de termen van de enkelingenondervinding betekenis hebben. Zo’n misstap in het denken komt voort uit gemakzucht, slordigheid, slechtigheid, de neiging tot competitie of de noodzaak tot roedelvorming of wat ook. Burgers/ consumenten laten zich aldus knollen voor citroenen verkopen. Propaganda drijft op ’s mensen zucht naar narratieven, naar romantiek. Voor publieke zaken is denoterende, logische taal de enig juiste en bureaucratie is alleen legitiem zolang de gedepersonaliseerde burger haar maatstaf is, maar dat vereist bewustheid van jargon. Een redevoering mag/ moet wel eens heroische gevoelens berijden maar staatszaken verwoord in emotaal leidt tot spraakverwarring. Dat vraagt om een bijsluiter. Ik verwijs niet vaak en niet graag maar de Mandevilleparadox is een leuk voorbeeld van overenigbaarheid van epe- en samenlevingsperspectief. Een volk bestaat niet, Nederlanderschap is een kolderiek begrip in zoverre dat dat vanuit een epe gezegd en gedacht mag worden maar wel in het besef dat het slechts metaforisch is met de enkeling als bron van de betekenis van de gebruikte woorden. Romantiek/ muze duwt ons tijdens het denken uit de rails. We gaan zaken kloppend maken zoals in de wiskunde gebeurt. Dat leidt tot opwindend nieuws, prachtige verhalen, velerlei engagement, maar de gehanteerde teksten hebben de logica achter zich gelaten.  Helaas verzandt politiek en samenleven maar al te snel in een Grand Gala des Narratives gepromoot als een songfestival. Edward Bernays (1891-1995) kan als een apostel, een apologeet van deze techniek worden beschouwd.

Muze en logica lopen elkaar al snel in de weg al kunnen ze evengoed veel ‘plezier’ en over en weer versterking teweeg brengen zoals poëzie laat zien. Een beschouwing daarvan zoals ik die hier beproef is een hachelijke onderneming. Een kippeveltoespraak als van Martin Luther King is van een eeuwige schoonheid maar is muzisch en niet logisch. Soul, ritme en niet te vergeten momentum. De kracht daar van is niet te evenaren met de “koude” van de logica van de linker hersenhelft. Zo kan een serie goede toespraken een gehele grondwet doen kantelen waarna een revolutie die slaagt vanzelf wettig wordt precies zoals nieuwe kledingmode zichzelf niet uitlegt maar oplegt, dicteert, overrompelt. Reputatiemanagers weten daar alles van maar van bureaucratie verwacht ik dat zij daar verre van blijft en ook de journalistiek zou zich moeten onthouden van het bespelen van de onderbuik. De keuze voor een volksregering die delibererend tot besluiten en regels komt is een rationele keuze. Alleen langs verstandelijke weg kunnen we blijven beseffen dat er geen duurzamer route naar redelijkheid voor allen is en daarbij moet veel tijd- en energieverspilling voor lief genomen worden.

Zonder de mens, die talige zelfbegoochelaar in zijn drivers-seat, slaaf van de eigen Kopfkino, is er niet alleen geen god maar ook geen werkelijkheid. Lijkt mij.

Zierikzee, december 2009