wat heb ik met Aspergers ?

Net als in de aanloop naar het einde van mijn vorige huwelijk was ik de nachtelijke ontmoetingen met mijzelf al weer begonnen. Met tussenpozen van maanden of weken. Het diende zichzelf aan. Tegen 0400 word ik wakker met een hoofd vol relatie-ongein. Ik verwoordde mijn twijfels en overwegingen dan om nadien houvast, een totempaal, een ankerplaats te hebben, een innerlijke houding ook waar ik naar terug kon keren. Een eigen waarheidscommissie waarin mijn coördinaten gelden. Zoiets. Om niet gek te worden. Een helende eredienst voor mijzelf. Maar ook een bijeenkomst zoals gevangenen die hebben voorafgaand aan een uitbraak, of aan eigen ordemaatregelen.

Al zo lang en intens samen en dan toch telkens blijken een partner te hebben die niets van mij lijkt te begrijpen en door wie je je op geen enkele moment behoorlijk vertegenwoordigd voelt. Heel vastberaden over alles maar geen idee wie ik ben en kennelijk ook geen nieuwsgierigheid naar mij. Wat gaat zij namens mij doen wanneer ik in coma raak ? Ik houd mijn hart vast. Met intuïtie vanuit de verkeerde hersenhelft. Drogredenaars.
Dank zij professor Google kwam mijn echtgenote aarzelend maar toch met de zelfdiagnose dat zij echt wel ‘een Asperger’ was, of leek. God lof. De verbinding met planeet Logica was hersteld en er spoelde semantisch gereedschap aan. Een intersubjectieve toolbox. De wereld bleef dezelfde maar ik voelde mij nu ontvangen, begrepen en enigszins geheeld. Als bij toverslag en juist op tijd. Want ik wilde beslist niet weg bij het wonder van opgewektheid, verfijning en stabiliteit waarmee ik op mijn 55e verjaardag in het huwelijk was getreden. Aan een leessprint hield ik “cognitieve stijl met eigen kenmerken over”. Een zalvend eufemisme dat de zaak hanteerbaar maakte en dat je zelfs in ruimere kring kon debiteren. Al verhult het dat ik Asperger uiteindelijk als een gebrek ervaar.

Een gebrek zoals ieder mens er talloze heeft, maar toch. Communicatie kan plotseling verkreupelen en de manier waarop dat verloopt is telkens dezelfde. Op de lange duur wordt het voorspelbaar.
Dat eufemisme verhult al te veel de pathologie van de knalharde weigering om zichzelf te verlaten en om te con-verseren. Dat wil zeggen ‘naar elkaar toe te praten’. De eigen voorstelling van zaken op te schorten. Luisteren zonder af te wijzen. Springen in het onbekende troebele water dat de ander is. Link maar noodzakelijk om te komen tot minnelijke schikking. Oefening in pragmatiek met jezelf in de vrije val. Jezelf te grabbel gooien voor een groter, een socialer doel. Nooit, nee nooit zal mijn lief dat doen. Eerder nog brandt de wereld af en wordt ze door alles en iedereen geëxcommuniceerd dan dat ze haar schelp zal verlaten of verraden. Het harnas blijft aan. De helm op. Geen overgave. Zoals ook liederlijkheid, overgave, polonaise, platte lol een volstrekte no-go vormt. Alles verloopt via de eigen behoedzaamheid. Niet swingen en never ever een salsa dansen. Slave to the rhytm ? no way. Het eigen sensorium blijft een heiligdom met onverzettelijke sacramenten. We gaan niet en nooit echt uit ons dak. Al het bestaan gaat door het filter van de linker hersenhelft en anders bestaat het niet. “Professortjes” noemt iemand ze. Liever naakt dan namaak. Hun redeneringen over wat andere mensen beweegt zijn telkens opnieuw een deerniswekkend exposé van de eigen blinde vlekken. Jules de Korte vertelt over schilderijen. Brrrrrr.
 Hun hersenen zijn ‘different wired’ zoveel heeft onderzoek inmiddels opgeleverd. Googelen op ‘Temple Grandin’ verschaft nog wat meer reliëf aan dit onderwerp.

Als ik de krant lees en daar wat uit op pik dat mij frappeert of ik in de auto rijdend iets zeg over wat mij opvalt of aanspreekt dan is dat vaak luchtig bedoeld, als een elevatorpitch. No big thing. Veel meer geschikt en bedoeld als eenvoudige voorzet die zij dan in kopt om zo ons samenzijn te vieren dan om te zeggen wat ik zei en om daar grondig bij stil te gaan staan en mij daar langdurig over door te zagen, maar juist dát wordt dan telkens weer mijn lot. Pas na jaren heb ik dit communicatietooltje uit mijn gedrag weten te bannen. Het was steevast de opmaat naar een blooper. Naar weer een awkward instant. Liever niet meer. Dan maar wat minder sjeuig doen.
 Con-verseren, naar elkaar toe praten is polderen, pragmatiek, vergt zelfrelativering, loslaten van de eigen denkbeelden en begrippen en vraagt vertrouwen zoals een parachutesprong. Vergeet het maar. Eeder is het tegendeel te verwachten. Ook als het niet om een pitch gaat maar ik om het even welk onderwerp ter sprake breng moet ik er op bedacht zijn dat het in mijn eigen gezicht gaat ontploffen. Genadeloos. Niet alleen veelvuldig maar zelfs stelselmatig bestaat de reactie van mijn lief er in om ofwel als het ware het kleed van tafel te trekken met alles wat daar op staat dan wel om in een fractie van een seconde een totaal andere betekenis te geven aan hetgeen besproken wordt. Ik noem dat semantisch haken slaan zoals hazen dat doen. Ragfijn pijlsnel en het vergt grote intelligentie.

Zo’n betekenis-twist brengt het onderwerp listig weer onder hun eigen soevereiniteit. Binnen dat wat ze wél begrijpen, herkennen aan de hand van het eigen dashboard. Maar voor wie dat uiteindelijk, en dat kan vele jaren duren, door heeft is het gesprek dan al gekaapt en verpest. Tegemoetkoming wordt geweigerd. Er wordt niet gedanst. Alles is mogelijk maar de eigen schelp, de tabernakel van het zelf, wordt niet en nooit verlaten. Er is maar één kerk en dat is zijzelf. Basta. Hoe lief ze er ook bij lacht. Het doet mij wel eens denken aan de omgang met ambtenaren die ook zo vaak en zo verbeten vasthouden aan een eigen parallele werkelijkheid.


Pas nadat mijn echtgenote voor haarzelf de Aspergerdiagnose had geopperd kwam gaandeweg bij mij het inzicht boven dat de Aspergers als stepping stones door mijn bestaan heen verspreid liggen. Het leven wordt vooruit geleefd en achteruit begrepen. Op de ULO Kees.Toen ik hem leerde kennen had hij al een kamerwand vol recorderbanden, geen cassetes, grote tapes alle in eigen kartonnen dozen, Genummerd en voorzien van inlegvel met index en dat weer gecatalogiseerd in een overkoepelend schrift. Direct uit school nam hij plaats aan zijn bureau, zijn cockpit en zette de radio en de grote stereotaperecorder aan. De radiogids was leidraad. Verse banden stonden klaar. Een pak blanco schriften bij de hand. Alle nieuwe top-40 nummers werden opgenomen en de wekelijkse hitlijst werd handmatig vastgelegd in schriften.Volle tapes, volle schriften, En liefst van songs zo veel mogelijk verschillende uitvoeringen, want ieder optreden is anders. Kees legde zich niet neer bij studioversies. Een eigen burcht. Van eigen hand. Veilig en van vreemde smetten vrij. Strikt eigen soliditeit. Dure grap die tapes maar het moest en het gebeurde. In een jaar of zes heb ik de kamerwanden vol zien groeien. Er bestond voor hem weinig anders. Het was een lieve knul, intelligent en oh zo gevoelig. 2 meter groot maar zichtbaar kwetsbaar. Schuw welhaast. Er waren wat broers en een zuster maar ik was zijn vrijwel enige vriend en mocht er altijd bij komen zitten als hij ‘aan het werk was’. Dat werk hield nooit op. Tot ’s avonds laat: ” Super Clean Dream Machine, productie Ad Visserblahbla……….” en zo voort op de bekende sonore toon dat het toenmalige radioprogramma. Door Kees zal ik dat stukje en zijn kamertje aan de Slinge in Rotterdam Zuid nooit vergeten. Rond ons 18e jaar verloren we elkaar uit het oog. Ik verhuisde en door daverend toeval kwam ik hem rond mijn 50e tegen op een festivalletje nabij de Slinge. Hij zat moederziel alleen op het gras en zijn haar was kapelaansgewijs uitgetreden. Nog altijd diezelfde zachte ogen en de zachte stem. Recht aankijken was er nooit bij geweest. Alleen, maar tegelijk op zijn hoede en volslagen soeverein. Lang niet zo aantastbaar als hij leek. Een mens met een grote binnenwereld. Tenminste dáár wist hij de weg. Trouw aan zichzelf.


Op de HAVO werd het Arie. Was zo wat tekenend geboren in Schiedam. We waren direct vrienden en kregen vrijstelling van gym. Net als later van militaire dienst. Zoiets doe je niet. Wij worden niet gedresseerd. In de gewonnen tijd hielden we een denkbeeldige fabriek gaande. De grondstof kwam van achter het sportveld waar zo vlak bij het Rotterdamse CS vele treinsporen naast elkaar liepen. Ook de tijd van handvaardigheid ging op aan de werkzaamheden in de fabriek. Leraar Vegter vond dat goed. Arie was zijn oogappel. Zo hadden we vele projecten, acts, flauwe kul. Ook buiten school. De cijfers van alle vakken konden niet veel beter dus de onderwijskant had over ons geen klagen en we konden alles toelichten, althans overal een draai aan geven. Het had humor en bracht vrijstelling. En passant en ieder op zijn eigen manier scheurden we door de literatuur. Arie ging in A’dam naar de ‘Rijks’ en ik naar Boskoop. Tot mijn 28e waren we zeer dikke vrienden. Hij deed weinig anders dan tekenen en schilderen. Dagen dagenlang. Vermoedelijk heeft hij in zijn leven slechts één keer een baantje gehad en dat eindigde met een woedende chef, die hem ten einde raad om zijn volstrekte gebrek aan volgzaamheid briesend en naar de uitgang wijzend toeschreeuwde “Ik ben de deur en dáár is de baas, wegwezen jij !”. Leuke verspreking. Echt gebeurd. Onmogelijk dat je hem er toe over haalde om te doen wat jij wilde.Tegen leraren altijd vriendelijk maar hardnekkig ongezeggelijk en als ze hem eens iets toebeten dan schudde hij kort en hevig zijn hoofd en viel zijn lange steile haar in de rondte om zijn hoofd als een gordijntje. Zoals een botje zich onder het zand kan schudden bij gevaar. Hij rende veel door de school en gaf soms grote kreten. Verbazing maar acceptatie alom.

Nog maar een jaar of zes geleden kwam ik een veel jonger evenbeeld tegen. Een bekende van dochters van mijn vrouw. Hyperdruk, moest door de tuin rénnen. Cellist, speelde gitaar als een god terwijl hij gewoon doorsprak. Noemde bij binnenkomst zijn naam en plakte daar meteen aan vast dat hij was gediagnostiseerd voor Asperger. Hyperheldere geest maar door zijn snelheid of jouw eigen traagheid gaan de beelden wel eens bewegen. “are you with me ?”. Terugkijkend werd me zonneklaar dat ook Arie een Asperger was. Is nu een gewaardeerd beeldend kunstenaar.


In Boskoop woonden we als gedoogde krakers in het voormalige schoolgebouw van het instituut dat ik daar bezocht. Edwin op de parterre. Zijn ogen gingen tijdens gesprekken almaar heen en weer. Nystagmus. Even wennen, maar een fijne huisgenoot. Ik beschouwde hem toen als een ware romanticus die met nooit meer dan één been in onze gesprekken stond. Fijngevoelig. Kon flink doorzakken als eenzame drinker en dan de school verzaken. Niks roosters en plichten. Ging moeizaam met vrouwen om. Vrijwel altijd hartelijk maar met de kaarten tegen de borst. Tegelijk leek hij vaak gelukkig met of goed bestand tegen de onverhoedse en overextraverte inbraken die ik zo maar in hem kon plegen. Mijn wat grote mond en volksbuurtjeugd waarin je leert om te beledigen en toch weer samen verder te gaan konden de lucht ook aangenaam klaren en hij wist wie het zei. Voor mij is een mening een wegwerpartikel en niet iets om voor te sterven. Maar Edwin was alles behalve zo losjes. Zat vast in een kleine eigen vocabulaire, gaf soms breedwoordig zijn mening om aan het slot in lichte zelfspot de onhoudbaarheid ervan in te zien. Laat maar. Het hing om hem heen als een blues. Laat mij mijn eigen gang maar gaan. Een hoefjeskind. De wereld was voor hem een wespennest en was hem niet werkelijk welgezind. Ik verhuisde naar Zeeland en werkte ’s zomers naast een studie in een discotheek. Hij kwam ook die kant op en hield dat werk twee seizoenen vol. Na een huisuitzetting was een kleine tent zijn onderdak en toen ik hem daar een keer onverwacht opzocht lag de vloer vol met vellen met daarop berekeningen. Hij wilde winnen van het casino en ging daar mee door tot hij begreep wat de rol van de nul en van de inzetlimiet was. Kan niet. Zijn fatalisme op de gokkasten en ook dat van anderen die ik opgewekt dagelijks zag afzinken leerde mij dat verslaafde gokkers telkens opnieuw hun lage zelfbeeld bevestigd willen zien en dat lukt beter naarmate je langer, liefst jaren voort speelt tegen het onverslaanbare algoritme van kasten en de casino’s. Het is bedoeld als kostbaar vermaak, maar dit terzijde.

Edwin at een tijdlang van het land. Geen cent te makken. Hij bleef rondhangen en ging pieren steken. Zwaar louterend werk en hij hield dat uiteindelijk decennia lang vol. Raapte ook oesters. Gespierd en kerngezond. Vriendelijk maar onherbergzaam als karakter. Black box. Hersens zat maar zijn redeneringen hebben hem op afstand van de samenleving gezet. Niet anders dan bij mijn lief en bij Arie en Kees en ik heb er nog meer in mijn ‘stal’.
 Haperende verbondenheid. Geclausuleerde intimiteit. Loyaal maar laten zich niet verlijmen, laten zich niet aansluiten, opnemen in een groep. Synchronisatieprobleem. Hebben een eigen hersenbedrading met enkele niet genormeerde stekkers en stopcontacten. Missen pijnlijk het inzicht in de eigen inadequaatheid. Blijven proberen maar scoren hoogstens in het eigen universum. Hyperconsequent en zodoende ideale kunstenaars. Zijn handelend beter te benaderen dan pratend. Wars van spotlights. Zijn het best te benaderen door wie hun jargon overneemt maar als partner voel je je dan hoogstens als een therapeut of een bewonderaar. Komen nooit over de brug.